Foto bij Weekend

‘Casper was het hè? Zou je vanmiddag willen blijven om te helpen?’ Marie zet een grote, stenen mok met koffie voor hem neer. ‘Het is een vraag, daar mag je ja of nee op zeggen. Ik realiseer me namelijk dat ik erg brutaal ben.’
De vrouw is alleen vandaag, Björn ligt ziek op de bank thuis. Haar moederhart was vanochtend groter dan haar dierenliefde en ze ging ervan uit dat ik er zou zijn, zelfs toen ik mijn mobiel niet opnam.
‘Om vier uur moet ik gaan, maar tot die tijd wil ik gerust helpen. Wat kan ik doen?’ Casper pakt de mok op. ‘Bedankt voor de koffie, Marie.’ Hij kijkt haar aan.
Ik moet toegeven dat Casper beleefder is dan ik in eerste instantie had verwacht.
‘Er komen vanmiddag twaalf kinderen om met de dieren te spelen en te knuffelen. Ik wil jou en Sky vragen om bij de honden te blijven. Jullie mogen met ze wandelen, maar ook gerust in de hondenweide spelen.’
‘Geen probleem. Al ben ik niet zo’n held met kinderen.’
‘Als je zo spontaan blijft als je nu bent, hoef jij je geen zorgen te maken.’ Marie draait zich naar mij toe. ‘De kinderen hebben een eigen dier om voor te zorgen, maar dat weten ze zelf. Het is veel belangrijker dat ze vriendelijk met elkaar en de dieren omgaan. Ik houd me bezig met de andere dieren. Als er iets is, dan moeten jullie me maar even zoeken.’ Marie loopt weg.
Ik kijk Casper verbaasd aan.
‘Wat is er?’ Hij neemt een slok van zijn koffie.
‘Ik vind het zo gek dat ze ons zoveel verantwoordelijkheid geeft en er geen moment over lijkt te twijfelen. Volgens mij leeft ze voor dit werk. En dan geeft ze het aan ons uit handen.’
Casper glimlacht. ‘Jij geeft haar vertrouwen. Zij denkt dat jij mij onder de duim kan houden.’
‘En?’ Ik grijns breed.
‘Dat zullen we uit moeten testen.’ Casper zet zich met zijn schouder af van de muur waar hij tegenaan leunde. ‘Waarom ben je hier eigenlijk vrijwilliger?’
‘Ik vind het leuk om met dieren en kinderen te werken.’
‘En verder?’
Ik verwacht dat ik net op tijd in beweging kom om het te doen lijken alsof ik hem niet heb gehoord. ‘Ik ga alvast naar de honden.’ Ik glimlach.
‘Sky?’
Ongetwijfeld rustig ogend draai ik me naar Casper om, terwijl mijn hart hevig bonkt. ‘Ja?’
‘Wil je me één ding beloven?’
‘Dat ligt eraan wat het is,’ mompel ik, mijn hoofd gebogen.
‘Behandel me niet alsof ik achterlijk ben.’ Hij loopt met grote passen naar de hondenweide.
Hij heeft gelijk.

De laatste kinderen worden opgehaald en ik betrap mezelf op de grote glimlach op mijn gezicht, die vanmiddag geen seconde is verdwenen.
‘Dankjewel voor je hulp, Casper.’ Ik haal diep adem. ‘En sorry voor hoe ik soms tegen je doe.’
‘Graag gedaan en niet nodig. Je zult er ongetwijfeld een goede reden voor hebben.’ Hij aait lachend Doodle over zijn kop, als die tegen hem op springt. ‘Waarom ben je hier vrijwilliger?’
‘Misschien leg ik je later dat uit, oké?’ Mijn stem is zacht en klinkt breekbaar, precies wat ik niet wil.
‘Geen probleem.’ Casper legt kort zijn hand op mijn schouder. ‘Ik hoop je morgenavond in het park te zien, maar voel je niet schuldig als je niet kunt of niet wilt. Ik vond het leuk met je vanmiddag.’
Het zou te gemakkelijk zijn om “ik ook” te zeggen. Twee woorden die niet alleen hem, maar ook mijzelf hoop zouden geven en ik weet wat er met hoop gebeurt. Als alles goed en mooi lijkt, wordt dat keihard de grond ingeslagen. ‘Reken er maar niet op.’ Het is een andere stem, bijna een ander persoon die de harde woorden uitspreekt.
Casper schudt lichtjes zijn hoofd en die non-verbale reactie laat me ineenkrimpen, terwijl een deel van mij juicht dat ik precies heb bereikt wat ik wil.
Zodra ik kan, fiets ik naar huis en niet veel later zit ik met allemaal papieren om me heen opnieuw te oefenen met het handletteren. Keer op keer mislukt het en gefrustreerd duw ik het dan van me af, om het telkens weer naar me toe te halen en verder te prutsen. Opgeven is tenslotte iets wat niet in mijn woordenboek voorkomt.
Dat is dan ook de enige reden dat ik de volgende avond een warm vest aantrek en naar het park fiets. Ik tril en ik houd mezelf voor dat het door de kou is, maar met ruim twintig graden is dat nogal ongeloofwaardig. Als ik een persoon langs het water zie zitten met een gitaar in zijn handen, zucht ik eens diep. Zachtjes lach ik om die fysieke reactie op iets wat ik zo fantastisch vind. Ooit speelde ik piano en mijn opa vertelde me altijd dat het was alsof mijn vingers over de toetsen dansten. Ik vond het prachtig om te horen, maar helaas verbrak mijn moeder al het contact met haar ouders en mocht ik nooit meer naar mijn opa, die al veertien jaar alleen was. Twee jaar geleden ben ik samen met mijn broertjes naar mijn opa geweest, toen hij ernstig ziek was. Onze moeder was woedend, maar ik was dankbaar dat ik hem nog in levende lijve had gezien. Drie maanden later viel een rouwkaart op de mat. Nu nog steeds moet ik de brok in mijn keel wegslikken. Waarom komt mijn jeugd plotseling zo intens op me af? Ik schud mijn hoofd, alsof ik daarmee de herinneringen kan verdringen en loop naar de jongen aan het water toe.
‘Sky!’ Casper legt zijn gitaar zorgvuldig naast zich neer, voordat hij opstaat en naar me toebuigt. Hij drukt een kus op mijn wang. ‘Ik had je niet verwacht. Wat goed dat je er bent.’ Hij lijkt het te menen.
Ik haal ongemakkelijk mijn schouders op en onderdruk de neiging om mijn vingers tegen de wang te leggen waarop Casper net een kus drukte.
‘Hoe gaat het met je?’ Hij gaat weer zitten en tikt eens op het gras naast zich.
Aarzelend ga ik zitten en ik trek mijn benen op, zodat ik ze redelijk beschermend dicht bij mijn lichaam kan houden. ‘Goed.’ Ik probeer te ontspannen, maar de zenuwen razen door mijn lichaam. ‘Met jou?’
‘Heel goed. Vergeef het me als ik fouten maken, ik ben ook maar een mens.’
‘Je speelt vast geweldig.’ Ik ontspan me iets en strek mijn benen uit.
Casper pakt zijn gitaar vast en concentreert zich op het instrument. Hij begint te spelen.
Automatisch sluit ik mijn ogen en focus me op het nummer. De eerste akkoorden hoor ik nog afzonderlijk, maar dan geef ik me ongemerkt over aan de muziek. Als Casper stopt met spelen, kom ik met een schok terug in het hier en nu. Ik open mijn ogen en schraap mijn keel.
‘Dat was prachtig,’ zeg ik zacht.
‘Dank je.’ Casper glimlacht kalm.
Ik voel me zo enorm verbonden met hem dat ik kan blijven zitten, terwijl mijn vluchtinstinct wordt aangewakkerd. ‘Wil je doen alsof ik er niet ben? Dan kan ik genieten.’
‘Waarom wil jij jezelf zo verbergen?’ Casper kijkt me onderzoekend aan. Dan verandert zijn blik, op het moment dat de onrust door mijn lichaam begint te razen. ‘Ik zal doen alsof je er niet bent. Als je gaat liggen, kun je nog meer genieten.’ Casper legt zijn donkerblauwe vest naast zich neer, achter me.
Zijn lieve gebaar zwakt de onrust af en ondanks dat het gek voelt, ga ik liggen.
Ruim twee uur later sta ik op en de enige reden dat ik weet dat er meer dan twee uur is verstreken, is omdat Casper het me vertelt. Ik schraap mijn keel. ‘Dankjewel voor de fijne avond.’
‘Jij bedankt.’ Hij komt overeind en trekt me dicht tegen zich aan. Hij knuffelt me bijna net als Mica en dat zorgt ervoor dat ik me veilig voel en ontspannen blijf. ‘Ik hoop dat ik je snel weer zie.’
‘Ik ook,’ reageer ik, zonder er bij na te denken.

Reacties (3)

  • aarsvogel

    Ik vind je schrijfstijl echt heel erg mooi! Ik vind m echt leuk, tot nu toe!

    2 jaar geleden
  • tubbietoost

    dit is zooo verwarrend en zo goed geschreven ^^ Gelukkig heb ik er nog eentje!

    3 jaar geleden
  • Helgenberger

    Ik weet nou niet wat voor een gevoel ik hieraan over hou.. Hm. :')

    3 jaar geleden
    • xTrueStoryx

      Yess!! Ik hou van verwarring zaaien hahaha

      3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen