Een hele lange!

Een ding was zeker; professor Dumbledore hield zijn woord. Een week later mocht ik onder toezicht door het huis lopen. Waar ik was geweest scheen het huis van de vijand te zijn, maar dit huis was op dat moment of ver daarvoor zeker niet minder ‘duister’. Er werd me niks vertelt over de bewoners, over de reden dat elke deurknop een uitgesneden slang of slangenkop was. Waarom er een trollenbeen dienst deed als paraplubak. Noch waarom niemand het huis scheen te verlaten. Twee uur per dag mocht ik de kamer uit, ik nam er dankbaar gebruik van, door mijn beenspieren weer op te kweken, want hoewel ik in de donkere kamer had gelopen, was het toch anders om trappen op en af te gaan of twee uur lang te lopen. De eerste week werd elke beweging die ik maakte met een strenge blik onderworpen. Maar ik deed geen pogingen om naar buiten te gaan. Ik keek alleen maar, want ik had allang door dat mijn vragen niet beantwoord gingen worden. Ik mocht dan wel lopen, maar het voelde bijna alsof ik in een aparte wereld leefde.
Na drie maanden begon ik het door te krijgen; ze vertrouwden me niet. Ze dachten dat het verdacht was dat ik niet gemarteld was. Ook ontdekte ik dat Draco net zo behandeld werd. Dus toen de uren dat ik de kamer af mocht verlengden met vier uur per dag zocht ik Draco steeds meer op. We spraken niet maar keken alleen maar.
Hoe de mollige vrouw heerlijke maaltijden maakte, ik wilde haar bedanken maar het was onmogelijk tot haar door te dringen. Hoe de man met mijn ogen grappen maakte met ‘de jongen die bleef leven’. Hoe diens vrienden elkaar hielpen met missies met gestolen kussen. Soms huilde ik, als bijvoorbeeld er berichten kwamen van nieuwe slachtoffers. De rest negeerde me, maar Draco sloeg dan zijn sterke armen om me heen, totdat de pijn weer dragelijk werd.
Tot kerst. Toen veranderde alles. Professor Dumbledore had erop toegezien dat Draco en ik ook kerstcadeautjes kregen. Blijkbaar had Norren de rest verteld dat ik van lezen, schrijven en tekenen hield want dat waren mijn kerstgeschenken, mijn allereerste cadeautjes, ooit. Ik huilde.
“Dankjulliewel!” Ik keek ze met een grote glimlach aan, ik kon weer mijzelf uiten, maar als ik gedacht had dat dit alle cadeaus waren had ik het mis. Want op het moment dat de afwas gedaan was en ik weer bijna terug moest naar de kamer kwam Dumbledore binnen met een oude man die nog het meest weghad van de verschrompelde walnoot die ik eens onder de koelkast had gevonden.
“Nayla, goed dat ik je nog tref, want ik heb een cadeau voor je, waar jij hard nodig bij bent om het uit te zoeken,” de cryptische zin liet me voor een paar seconde stomverbaasd kijken totdat het tot me doordrong wat hij bedoelde ik in mijn handen voor mijn gezicht sloeg. Als ik gedacht had dat de straat aardig voor me was geweest, had ik dit nog niet meegemaakt. Ik was blij dat Norren en mijn moeder afwezig waren.
De verschrompelde walnoot man kwam naar voren, trok een meetlint uit dat op magische wijze van alles begon te meten. Intussen mompelde de man allerlei woorden in diverse talen en haalde toen uit het niets een langwerpige doos te voorschijn.
“Probeert u deze maar eens juffrouw Potter, eenendertig centimeter, flexibel, walnoot kern van drakenhart,” ik pakte hem aan en op zijn aanwijzing zwaaide ik er mee. Gevolg: de tafel vloog in brand, ik gilde en liet de stok los. De anderen lachten en de man, die ik Meneer N noemde, repareerde de tafel met een zwaai van zijn eigen staf. De tweede poging liet alle lampen aan en uit gaan.
“Dat is genoeg,” mompelde man ineens. Even dacht ik dat hij me toch geen staf ging geven maar toen viel het meetlint in kluwen op de grond. Hij reikte me een derde, toen een vierde en een vijfde staf aan die het allemaal niet waren.
“Probeert u deze maar eens, cypres, eenhoornhaar, dertig, komma achtenveertig centimeter en redelijk flexibel,” het moment dat ik de staf aanpakte trok er een warm gevoel door mijn arm. Hij glimlachte breed.
“Zie hier uw persoonlijke staf,” en vanaf dat moment sprak men met me.

5 januari 2005
Ik had een week eerder de totale vrijheid gekregen om in huis rond te lopen. Vandaag, ik wist het niet, was het Norren én mijn verjaardag. Ik ging nietsvermoedend naar beneden voor het ontbijt. Op het moment dat ik de deur naar de keuken en eetkamer opende werd ik overstelpt met een canon.
“GEFELICITEERD!” Ik bleef stomverbaasd staan, what the hell was going on? Blijkbaar sprak mijn gezicht boekdelen want een van mensen, die zichzelf voorgesteld had als George, grijnsde.
“Het is je verjaardag,” nu keek ik op. Nog nooit, in mijn hele leven had iemand me gefeliciteerd voor mijn verjaardag. Ik kon het niet helpen maar grijnsde ook. Ik werd vijfentwintig.
Ik nam plaats aan tafel, gezamenlijk met de rest. Na een uitgebreid ontbijt hielp ik Molly, de vrouw die zo uitstekend kon koken, met de afwas en het bakken van een taart. Ik kreeg weer plezier in huishouden. Het hielp dat mijn Meesteres er niet was, het hielp dat men met me praatte, het hielp dat ik niet meer gestraft werd voor iets.
“Kun je me de suiker aangeven, Nayla?” Ik reikte haar de suikerpot aan en brak twee eieren. Toen de taart een half uur later in de oven stond, riep Sirius, de man met mijn ogen, me bij zich en voor de derde maal die week gingen we aan de slag met het trainen van mijn magische krachten.
“Onthou dat goed, Nayla, want het brengt je extra vooruitgang in elke spreuk die je gebruikt,” hij had me zojuist nogmaals de ‘zwiep en zwaai’ bijgebracht. Ik kende al best veel theorie, nu kwam ik toe aan de praktijk, want zo zei Sirius dat was waar we het meest van zouden leren.
De dag zelf eindigde met cadeaus voor mij, Norren die was er niet, het kon me ook niet zoveel schelen waar hij zich thuis hield. Ik had het eindelijk goed onder mensen; ik had een dak boven mijn hoofd, het was er veilig, ik kreeg te eten, mensen leken me oprecht te mogen, en iets waar ik me nog niet zo bewust van was; ik werd opener. Ik begon grapjes te maken, te zeggen wat ik dacht. De mensen waarmee ik in het huis leefde waren menselijk. Niet bezittelijk. Ze waarschuwden me op tijd als mijn Meesteres of Norren langs kwamen, want zij maakten nog altijd deel uit van een organisatie die tegen Voldemort zijn overheersing vocht. Andersom probeerden zij allebei op de meest bizarre manieren in contact te komen met mij. Op zulke momenten was ik heel blij met de verhouding die ik had met Draco. De dag na mijn verjaardag was er zo een.
“Nayla, ik kom je zo wel ontbijt brengen, boven!” Ron, een van de kinderen van Molly, hield me op de trap tegen. Verrast bleef ik staan.
“Wat?”
“Norren is hier, met zijn moeder,” ze weigerden haar Meesteres te noemen, maar ik weigerde haar ‘moeder’ te noemen, dus gebruikten we ‘Norren zijn moeder’ als compensatie.
“Zo vroeg?”
“Ja, verslag van hun missie,” de missie had spioneren op een weerwolvenkamp ingehouden.
“Moeten ze dat niet bij Dumbledore doen?”
“Die is hier ook,” dat deed me denken, eens zou ik hen toch onder ogen moeten komen, de vraag was alleen of ik daar klaar voor was. Ik me niet gerealiseerd dat ik de gedachte hardop had gezegd.
“Ik denk persoonlijk dat je er klaar voor bent als denkt dat je dat niet bent,” zei een stem achter me. Ik draaide me om en keek Draco aan.
“Daar heb je een punt...” Ik fronste even, “dus ik hoef alleen maar te besluiten of ik er klaar voor ben...” De mannen knikten.
“Hm, ik ga gewoon beneden ontbijten, we zien wel dit schip heen zeilt,” ik liep met Ron en Draco naar beneden, naar de meest gebruikte kamer in het huis; de keuken.
Geen van beiden was extreem verandert. Meesteres had nog altijd een enorme bos zwarte krullen die ontembaar waren, al zaten er meer grijze strepen in dan daarvoor. Ze zag er wel gezonder, wakkerder uit dan daarvoor. Norren had nu een vermoeid gezicht, maar leek wel volwassener dan toen hij me bevrijdde van wat ik ook nu ‘kerker’ noemde. Beiden hadden nog niet door dat ik in de keuken was, Dumbledore begreep mijn hint toen ik een vinger tegen mijn lippen drukte. Ron nam tussen zijn zus en vriendin plaats, Draco volgde me naar het aanrecht. We zwegen beiden om te luisteren wat eraan tafel gezegd werd.
“We wisten net te ontkomen! Verdorie Dumbledore! Natuurlijk hebben we dát stukje informatie niet!” Meesteres had met vlakke hand op tafel geslagen.
“Kalm, Rebella! Het ging me erom of ze het gesprek die kant op zouden brengen,” Dumbledore keek haar ernstig aan over zijn halve maansbrilletje.
“Volgens mij wel,” mompelde Norren tegen het tafelblad. “Ze hadden het over infiltratie van de kleinere organisaties. Daar vallen wij ook onder, ook al zijn we illegaal,” de boodschap bracht een gedachte bij me op: we liepen gevaar.
Ik had mijn brood gesmeerd en een kop thee gepakt, nu nam ik tussen Sirius en Harry plaats. Zwijgend. Ik luisterde terwijl ik at. Mijn haren die eens vettig, warrig en onaantoonbaar waren geweest waren gewassen en gekamd. Sirius die ik onbewust beschouwde als de ouder van de jongeren bleek het prettig te vinden om met haren te prutsen. Dus had ik me vrijwillig tot zijn frutsobject gebombardeerd.
“Illegaal of niet, we behoren tot de selecte groep die al maanden, zo niet jaren onderduikt en af toe speldenprikjes uitdeelt op de geval,” dat geval, was de codenaam die we gebruikten voor Voldemort, aangezien je zijn schoothondjes op je stoep kreeg als je zijn naam uitsprak.
“Wat gaan we daaraan doen, en vooral hoe?” Hermione, de vriendin van Ron, bond haar bos bruine haren bijeen met een dik elastiek. Even was het stil.
“Idealistisch gezien, Hem doden,” Harry had een rol perkament in zijn handen terwijl hij achterover leunde. Ik dacht na, idealistisch gezien wou ik dat hij niet bestond. Maar dat ging niet.
“Waarom kan dat niet?” Ik wist vrij zeker dat ze dat al geprobeerd hadden.
“Omdat hij ‘onsterfelijk’ is,” antwoordde Ron.
“On-?” Ik kon niet verbaasder kijken.
“Niet letterlijk...” Mompelde Sirius links van me. Ik haalde adem.
“Hij heeft zwarte magie gebruikt en gruzielementen gemaakt,” legde Harry uit, niet dat ik het begreep.
“Wat zijn gruzielementen?”
“Gruzielement zijn objecten dat duistere tovenaars kunnen maken om onsterfelijk te worden. Wier normaliter zou sterven maar eerder in zijn leven een gruzielement heeft gemaakt, sterft niet, maar blijft leven. Echter niet inde menselijkste vorm van leven. Men wordt uit zijn lichaam weggescheurd en leeft in een vorm, nog minder dan een geest. Zijn ziel wordt als het ware in stukken gescheurd, dit wordt ‘opgesloten’ in een object dat veel waarde had voor de tovenaar,” Dumbledore had zijn vingertoppen tegen elkaar gedrukt en keek me ernstig aan over zijn halve maanbrilletje. Ik fronste, hoe weinig ik ook van magie wist, dit was zo kil dat ik me er geen voorstelling van kon maken dat iemand dat ooit zou doen. Blijkbaar was de afschuw van mijn gezicht te lezen want Ron probeerde me te kalmeren.
“Dat is de reden dat jeweetwel zo zielloos overkomt, en die slangachtige verschijning heeft. Je hoeft hem dus niet als mens te behandelen,” wat in feite het averechtse effect had. Ik had hierover nog honderden vragen, maar ik stelde de meest belangrijke als enige.
“Hoe versla je iemand die...” Ik hoefde de zin niet af te maken. Er klonk een zucht over de tafel.
“Daar zijn we mee bezig,” Norren sprak voor het eerst, “het probleem is alleen dat hij er zeven heeft gemaakt.” Ik hem verafschuwd aan.
“Zéven?!”
“Waarvan we er nu drie vernietigd hebben en twee weten,” knikte Harry. Ik rilde, deze oorlog was enger dan ik had gedacht.
“Maar hoe vind je de andere twee?” Vroeg ik mijn benen optrekkend, ik was blij al eerder mijn ontbijt op te hebben want eten deed me inwendig al kokhalzen.
“We hebben geen idee, daarom waren we zo gebrand op jouw informatie,” zuchtte Sirius en hij wierp het voormalige schoolhoofd een vermoeide blik toe.
“Maar die bleek je niet te hebben, dus besloten we je te helpen je magie onder de knie te krijgen, en als jij wilt ons te helpen hem te vernietigen,” Hermione keek me vriendelijk aan. Ik aarzelde even, want zoiets deed je niet zomaar. Maar ik knikte, ik had hen, wie zou ik zijn als ik niet voor hen zou vechten zoals zij voor mij? En elk beetje om die tovenaar om zeep te helpen was meegenomen.
“Ik doe mee,” verkondigde ik en kreeg een joviale klap op mijn schouder van Sirius. Nu behoorde ik echt tot wat ze de Orde van de Feniks noemden, zonder dat ik het wist. De strijd begon nu echt.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen