|| Romijn Lois ||

Het geluid van een vreemd soort landrover vulde mijn gehoor. De straf dat Embry had weten te regelen was inmiddels vervlogen. Een les had ik er zeker niet uit gehaald. Wat was nu precies het nut van binnen blijven? Hoofdschuddend drukte ik mij recht, knipperde een aantal keer met mijn ogen om door de licht besmeurde ruiten naar buiten te kunnen kijken. Een zwarte donkere vreemde waren was op enkele meters van het huis gestopt. Met een snel vaart had ik stappen naar boven gemaakt, uit het stukje muur waar ik mijn wapens had verstopt mijn zwaarden en messen gegrepen.
Sprong in een simpele beweging mijn raam uit, op het dakje van de veranda, sprong ik nog een verdieping lager.
Gelijk voelde ik mijn voeten wegzakken in de modderige ondergrond.
Verderop in de struiken op een 250 meter afstand zaten krijgers, vechters verstopt in de bomen. Had ik nu maar mijn pijl en boog gegrepen, ik had een nadelige zwakte gekozen op het moment. Een vreemde hoorn, weerklonk. Uit de rover kwamen gewapende mannen zetten. Een blonde vrouw en Azgeda king: Roan. Instinctief greep ik mijn zwaard uit zijn halster. Ging ik gebogen staan, in een aanvalshouding dat zowel kon weren als aanvallen. Een woedende grom vloog over mijn lippen. Maar nog voor ik kon afstormen op de Azgeda king. Kwamen zijn strijders, vechters al op mij afgestormd. In een sierlijke beweging wist ik een aantal slagen te mijden. Een aantal keer terug in te hakken op de zeker 2 koppen grotere mannen. Het geluid van zwaarden, messen dat tegen elkaar kletterde was duidelijk te horen.
'Frag em op' gilde koning Roan, van het Azgeda volk.
'Ben je gek, kom naar binnen' was de gillende stem van Embry.
Verschrikt draaide ik mijn hoofd, was hij gek geworden? Levensmoe? King Roan was net zo genadig als zijn moeder. Een scherpe steek voelde ik mijn lichaam raken, maar de heldere warme toffee gekleurde ogen van Embry hadden mij gevangen genomen. 'Jus drein, Jus daun' vulde ineens mijn gehoor, dat zette mij op scherp. Ik vocht mij los, rukte mij ogen van Embry af en voelde het machine dat diep in mij verborgen lag. Als een tornado, gleed ik door de grote brede, Azgeda kru. Stak de heren één voor een, of sneed een voor een hen keel door.
De laatste man begon bang angstig weg te rennen.
Een grijns sierde mijn lippen.
Ik was niet van plan om de man achterna te rennen. Fronsend bekeek ik mijn mes, het was scherp genoeg. Ik moest het alleen met een aardige kracht op hem af zenden. De wind stond prima, gaf mij nog een sprong ook.
'Yu gonplei ste odon' fluisterde ik, met een worp had ik mijn mes naar de man die aan het wegrennen was gegooid. Een vreemd gorgelend geluid maakte de man. Nadat mijn mes hem dwars door zijn hoofd heen reeg. King Roan stond met grote, verbaasde, woedende ogen toe te kijken. Hoe ik stuk voor stuk, zijn strijders ten gronde bracht.
Ik wilde het afmaken door de King ook te doden.
Maar nog voor ik kon gaan rennen werd er ineens: 'Hod op' geschreeuwd.
De blonde vrouw die net als de rest van haar kru had staan toekijken. Kwam op mij afgelopen, mijn zwaard naar haar gericht, kreeg ik een geweer op mij gericht. Minachtend keek ik naar het voorwerp, alsof ik er bang van moest woorden. 'Octavia' werd er ineens verbaasd vragend gesproken.
De vrouw die mij Octavia noemde keek mij vragend verbaasd aan. Ze reikte haar hand naar mijn gezicht, ruw sloeg ik haar hand weg.
Verschrikt keek ze me aan. 'Ai laik Klark kom Skaikru, en ai come in peace' sprak ze in Trigedasleng. Ze keek mij afwachtend aan.
'Ai romijn kom trikru, chit do yu want' sprak ik op de zelfde duidelijke toon terug.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen