{ Her }

Vandaag is de dag dat ik eindelijk terug zal gaan naar die plek. Sinds die dag in het bos ben ik geobsedeerd met die hut en wat er mogelijk gebeurd kan zijn. Een moord, of een dood dier, of geen idee. Iedereen verklaarde me voor gek, maar toch gaan ze met me mee. Met vijf meiden staan we sterker dan één.
Ik pak mijn koffer, slaapzak en telefoon en sleep alles de trap af om het vervolgens in de hal te laten staan. Ik loop door naar de keuken en pak een glas die ik vul met water. Ik draai me om en leun met mijn rug tegen het aanrecht aan. 'Goedemorgen. Hoe laat vertrekken we?' mijn zus Clara komt naast me staan. Ze heeft haar rode haren omhoog gebonden in een paardenstaart. Samen met mijn vrienden en vriendinnen gaat zij ook mee. Ik ben haar kleine zusje dus heeft ze nog steeds het gevoel dat ze op me moet letten en me moet beschermen, ook al ben ik al achttien en feitelijk volwassen. 'Ze komen ons zo ophalen. Heb je al je spullen?' Ze knikt en pakt ook wat te drinken. Mijn zus en Anne waren de enigste die me geloofden, en de enige die ik het verteld heb, naast mijn ouders dan. De rest van mijn vrienden denkt dat we gewoon een weekje gaan kamperen in het bos naast het meer, en dat gaan we ook. Maar ik heb een doel.
Ik word opgeschrikt door het geluid van een toeter. 'Daar zijn ze al. Pak jij de auto sleutels?' ik knik en open een lade om de sleutels te pakken. Ik loop achter mijn zus aan naar de hal waar onze spullen staan. We trekken alles achter ons aan en ik sluit de deur. 'Rij jij?' mijn zus kijkt me vragend aan terwijl ze naar onze vrienden zwaait. 'Ja.' Ik loop om haar heen en open de kofferbak van de auto om mijn spullen er in te dumpen. Als ook haar spullen in de kofferbak liggen sluit ik de klep en ga in de bestuurdersstoel zitten. 'Let's go.'
Na een uurtje te hebben gereden zie ik het bos voor ons opdoemen. Het ziet er normaal uit. De bladeren van de bomen worden verlicht door de felle zon waardoor het er vrolijk uitziet. 'We zijn er.' Een naar gevoel kruipt over me heen. Angst voor het onbekende. Ik rij achter de auto van Demi aan over een klein paadje. Ze weet precies waar ze heen moet. Na een paar minuten zie ik door de bomen naast ons het water. Het meer. Mijn nare gevoel wordt erger. Ik zet de auto naast die van Demi neer en stap uit. Het eerste waar ik naar kijk is de hut. Precies het zelfde als ik hem me herinner en als hij op de foto staat. Ik draai me om en zie iedereen naar het meer kijken. Het ziet er donker uit. Iets klopt er niet, dat weet ik nu al. 'Dus, laten we de tenten opzetten.' Ik zet de nare gedachtes uit mijn hoofd en begin Clara te helpen met onze tent.


Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen