Foto bij 064 - The Dragon Eye

We zitten midden in een SE-Week dus vandaar dat we echt heel weinig hebben geüpload. Maar daar komt snel een eind aan, na dinsdag hebben we alleen nog maar herkansingen. Dan zijn we vrij! Jeey, dus meer tijd om hier aan te werken. ^^ Is ook meer hoofdstukjes. Ik hoop dat jullie nog steeds blij zijn met de Wolf Riders. Ook na zo weinig activeren, daar probeer ik sowieso verandering in te brengen. Al gaat dat vaak lastig als je er niet meer aan bent gewend.:)Maar goed genoeg gebabbeld, enjoy ^_^

Amras
De rillingen liepen over mijn rug bij het aanzicht van de immens grootte stadsmuren. Elke witgrijze steen was al gigantisch, maar ze dan ook nog opgestapeld dat was pas overweldigend. Er scheen een marmeren gloed over de muren. De poorten waren beangstigend, het donkere hardhout was rijkelijk versierd maar ook gehavend door eerdere aanvallen. Het was een poort die er al heel lang stond. En dan nog te bedenken dat dit een van de zijpoorten was! Hoe moest de hoofdingang er dan wel niet uit zien. De wachters keken ons aan vanaf boven op de muur, de zenuwen kwamen naar boven. Mijn handen konden niet stoppen met trillen en friemelen, met veel moeite stopte ik ze in mijn zakken. Ik wisselde een snelle blik uit met Yarea, ademde diep in en liep naar voren. De stadspoorten draaiden langzaam open, schichtig keek ik omhoog naar de wachters. Ze keken ons na, met emotieloze blikken alsof ze hun baan zat waren en al zo vroeg op de dag wenste thuis te zijn.
"Ik zei toch dat haar verven een goede tactiek was." fluisterde Yarea me toe.
Ik glimlachte bij het idee, dat was het inderdaad. "Ja, ja, ja" antwoordde ik.
Opgewonden liepen we Nafal achterna, de stad in. Ik keek mijn ogen uit, maar Nafal liep zo snel dat ik niet genoeg tijd had om de schoonheid te bewonderen. De mensen waren druk in de weer, het was een geordende chaos. We liepen langs een plein en over een marktstraat, beiden waren ze vol met mensen. Duizenden kleuren en geuren verspreiden zich over de markt, de mensen riepen aanbiedingen en ik bleef even staan om te kijken bij een kraampje met fruit. Het waren vruchten die ik nog nooit had gezien, ze moesten zeker handelen met de aanliggende landen aan het westen. Het was ook net lente en sommige vruchten groeiden snel. Ik keek op en zag nog net Yarea achter een kraampje verdwijnen. Ik rende ze achterna en kon ze nog net bijhouden. Ik zou wat beter op moeten letten anders was ik Nafal en Yarea zo kwijt.
Ik speurde de lucht af, hoe hoog zou de toren zijn waar het drakenoog op stond? Het zou zich zeker in het midden van de stad bevinden. Ik keek om me heen terwijl we liepen, we moesten de wegen en paden zo goed mogelijk onthouden om een beter beeld van de stad te krijgen. We volgden Nafal door de nu wat donkerdere paadjes, daar hadden we de kans zo min mogelijk gezien te worden. Ik was nog steeds een beetje zenuwachtig met mijn nieuwe haarkleur en elke keer dat ik in het glas van de winkels keek schrok ik van mijn spiegelbeeld. Yarea en ik waren nu net broer en zus, iets wat Yarea erg amuserend vond.
Vandaag zouden we de stad in het geheel gaan verkennen en eten kopen natuurlijk. De toren verkennen en de mogelijke routes zouden we morgen doen en als dat was gedaan zouden we plannen maken om het licht daadwerkelijk te pakken te krijgen. Ik werd al zenuwachtig als ik daar aan dacht, het licht moest zeker heel goed bewaakt zijn. Het was een van de belangrijkste voorwerpen van de wereld, zonder licht leef je in de duisternis, waar de duistere kant een maar al te goed voorbeeld van is. Als het licht gedoofd werd zou het klimaat drastisch omslaan en zouden heel wat planten en dieren uitsterven, maar met de redenen wat de lichte kant met ons had gedaan. Ik vond dat ze het verdienden om in de duisternis te leven. Ik wist niet wat Yarea's redenen waren om het licht te stelen, misschien om de dolende ruiters meer kans te geven. Zij waren tenslotte ook niet welkom in de lichte kant, maar dat was iets wat al voor de tijd van de duistere en lichte kant scheiding ontstond. Ik zou het licht stelen om mijn moeder te wreken, ze was de vreugde haarzelf en ik zou het licht stelen om de lichte kant hetzelfde lot te geven als de duistere kant had gekregen.
Vastbesloten keek ik over de daken, een toren onthulde zich, hoe dichterbij we kwamen hoe groter het werd. Ik keek vol ongeloof naar de toren en de bouwstijl, het was heel erg gedecoreerd en groter dan ik had verwacht. Het was zo breed als een huis, maar dan vierkant dus nog breder. Aan de hand van de ramen schatte ik dat het gebouw maar liefst zeven verdiepingen had, dat was iets wat ik nog nooit mee had gemaakt. Mijn blik viel op de top en bleef daar gegrepen hangen, waar daaronder kamers waren, waren er op de top geen muren meer. Het was een plat dak omringd door de vier pilaren naar elkaar toe leken te zijn gegroeid en die eindigde in een spitse punt. Tussen de pilaren stond het, het was nog mooier dan ik me had voorgesteld, de blauwe vlammen schoten woest uit de glazen bol, het drakenoog.

Yarea en ik wachtte buiten geduldig op Nafal die een brood aan het kopen was in de bakker. Naast ons stonden onze rugzakken gevuld met ander etenswaar. In stilte bestudeerde ik de mensen die langs ons liepen. Yarea keek diep in gedachten naar de toren die te zien was aan de horizon. Ik zuchtte zachtjes van vermoeidheid en keek toen naar de zon, die laag aan de hemel stond en een gouden gloed over de stad neer liet. Vogels tjilpten luidruchtig en hier en daar vlogen groepen zwaluwen. De stenen van de straat prikten door mijn schoenen heen tegen mijn pijnlijke voeten van het lopen. De stad had meer schoonheid dan ik ooit eerder had gezien van een stad. Ik dacht in de stilte niet na maar genoot in stilte van de avondbries. Morgen zouden we pas plannen kunnen maken, nu hoefde dat nog even niet. Ik miste Nero, al zouden we de wolven zo weer terug zien, na de boodschappen. Een zachte lente bries liet mijn haren wapperen. Ik keek naar een groepje soldaten dat in groen versierde harnassen voorbij liepen, ze hielden hun speren fiers in hun handen. Eerdere soldaten hadden me de stuipen op het lijf gejaagd, maar nu was ik er een beetje aan gewend om er niets van aan te trekken. Hoewel ik me nog steeds zenuwachtig voelde, ik kon het nu beter verbergen.
"Er zijn wel veel soldaten hé?" zei Yarea die de mannen ook had opgemerkt. Ik knikte, ik had niet veel behoefte om te praten.
"Hoe gaan we ooit het licht kunnen stelen met zo veel bewakers?" zei ze toen ik niets zei.
"Met veel geluk moet het wel lukken," zei ik met een glimlach op mijn gelaat, we hadden veel geluk nodig als we geen goed plan hadden.
"Ik denk dat het beter werkt met een goed uitgewerkt plan, iets wat we op dit moment niet hebben. Was jij niet degene die een plan zou bedenken?" zei ze met een plagende ondertoon. Ik knikte, daar had ze helemaal gelijk in.
"Ik kan pas een plan bedenken als we de toren van dichtbij hebben gezien." antwoordde ik, al had ik al vele malen geprobeerd een idee te bedenken.
"Daar heeft hij een punt," zei een stem achter ons, we draaiden ons om. Nafal glimlachte breed bij het tonen van de vele broodjes die hij had gekocht.
"Maar zullen we dan maar gaan. Ik denk niet dat het hier een goede plek is om plannen te maken over onze grote diefstal missie. Bovendien heb ik best trek." zei Nafal en hij pakte een andere tas op. Yarea en ik knikte instemmend, in Nafals huisje konden we beter verder praten. We pakten beiden de overige tassen op en ik nam een tas van Nafal over onder zijn luid protest, maar hij moest nog helen van zijn wonden. Zo liepen we terug naar zijn huis Yarea voorop, we probeerde de weg zo goed mogelijk te leren en Nafal achteraan met zijn handen over elkaar geslagen, oneens met het feit dat hij nog moest helen. Morgen zouden we grootste plannen moeten bedenken, of beter gezegd, morgen zou ik het plan moeten bedenken.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen