Foto bij #1 De ontmoeting

18 juli 2017

ALISSA


'Alissa! Je mag nu echt op gaan schieten!' Mam staat in de deuropening en kijkt me met die bepaalde frons aan. Die frons dat ik zeker weten op moet schieten. Die frons dat ik over 10 seconden beneden moet staan anders kijkt ze me de hele maand nog chagrijnig aan. Ik zou ook op tijd beneden staan als het een ideale wereld was geweest. Mijn wereld is op dit moment verre van ideaal. Zuchtend haal ik mijn schouders op. 'Ik kom zo mam.' Ik zie haar nog net in mijn ooghoek hoofdschuddend weglopen. Ik sluit voor een seconde mijn ogen om me voor te bereiden op vandaag. De begrafenis van mijn opa. Natuurlijk, ik begrijp mijn moeder. Je hoort niet te laat te komen op een dag als deze. Maar het doet zoveel pijn. Tranen rollen over mijn wangen en ik kijk naar mezelf in de kapspiegel. Ik zit al tien minuten in dezelfde houding naar mezelf te staren. Ik draag een zwart jurkje, heb mijn blonde haren hoog opgestoken en een heel klein beetje make-up opgedaan, al is het maar om de grauwe wallen weg te stoppen. Mijn baantje als serveerster breekt me echt op de laatste tijd, ik ben zes dagen in de week pas om middernacht klaar. Ik heb vanwege opa nu twee dagen vrij gekregen, al had ik liever wat meer rust gehad. Ik heb het werk gewoon nodig. Ik bijt op mijn lip. Ik mag nu niet afgeleid raken! Niet aan werk denken! Dat komt later wel. Ik dep zachtjes mijn gezicht af met een zakdoek om de tranen te drogen en sta dan eindelijk op om mijn tasje in te laden. De spullen die ik pak voelen allemaal nutteloos. Ik heb eigenlijk niets nodig. Ik besluit toch mijn telefoon, een kleine parfum en pepermunt mee te nemen. Voor ik mijn deur uitloop pak ik nog snel mijn gitzwarte zonnebril. Zelfs al schijnt de zon niet. Mam staat al bij de deur te wachten. Ik heb haar al lang niet zo chique gekleed gezien. We gaan ook nooit naar een begrafenis. 'Oma zit al in de auto te wachten.' Mam opent de deur en wacht tot ik buiten sta zodat ze de deur af kan sluiten. Ik kijk naar onze felrode auto en zie mijn oma al op de passagiersstoel zitten. Ze logeert bij ons sinds opa er niet meer is. Thuis zijn vindt ze te zwaar. De autorit verloopt in diepe stilte. Ik hoor oma soms snikken. Ik voel me ook heel verdrietig. Als we bij het gebouw aankomen zie ik al een groep mensen staan. Hoe erg ik hier ook tegen op zie, mensen onder ogen komen, handen schudden, het is bedoeld als een eerbetoon aan opa. En ik doe dit voor hem. Als ik die gedachten weer helder heb zijn mam en oma uitgestapt en stap ik ook uit. Dit gaat de ergste dag van mijn leven worden.

'Soms is het leven wreed. Soms is het leven aardig. Jou op deze dag ontmoeten, dat was eigenaardig.'

ALISSA


Na de dienst is er een diner voor naaste familie. Ik heb op dit moment geen honger en zie mezelf ook echt niet een hap nemen. Ik kan het gewoon niet maken om er niet bij te zijn. Ongeveer twintig mensen zijn uitgenodigd. We zitten midden in het restaurant, aan een lange tafel. Het middelpunt. Wat haat ik dat toch. Ik heb het gevoel dat iedereen me bekijkt. Een jurkje is ook niet mijn ding. Niet alleen ik, iedereen aan de tafel heeft gitzwarte kleren aan, zit te huilen of overmatig te drinken, en verhalen over opa te vertellen. Het is gewoon zo oneerlijk allemaal. Met niemand aan de tafel heb ik een klik. Ik zit een beetje verloren met mijn glas wijn te spelen. Als ik opkijk omdat het eten wordt gebracht zie ik de mooiste ogen die ik ooit heb gezien. Verbijsterd kan ik alleen maar staren. Het voelt alsof de bliksem inslaat. Ik giechel omdat het zo overdreven voelt. Alsof ik meteen verliefd ben. Ik blijf zijn ogen aankijken. Hij kijkt ook naar mij. Denk ik. Wat is hij mooi, kan ik alleen maar denken. Op dat moment vergeet ik waarom ik hier ben, met wie ik hier zit, hoe ik eruit zie, wie ik ben. Hij is het. Kan ik alleen maar denken. Mijn buik voelt heet. Langzaam kijk ik naar beneden. De bediening heeft de soep gemorst. De kokende soep. Mensen deppen in paniek over mijn schoot. Ik pak mijn glas wijn en gooi het eroverheen. Slecht idee. Het brandt enorm. Alcohol ontsmet, zegt een stemmetje in mijn hoofd. De ober is nu terug met een kan water en giet het over me heen. 112 wordt gebeld. Ik kijk naar de onbekende jongen. Hij zit als in trance naar me te staren. 'Jullie hoeven 112 niet te bellen. Zo ernstig is het niet. Kijk maar!' Roep ik uiteindelijk, omdat mensen me naar de kraan willen brengen om het af te spoelen. Ik trek aan mijn jurk en voel een brandende pijn. Ik val flauw, geloof ik. En ik ben even nergens meer.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen