Foto bij 065 - The City of Light

Yarea
De drukte en grootsheid van de stad was overweldigend geweest. Nafal had eerst de drukken straten laten zien. Daar had ik mijn ogen uitgekeken. Ik had nog nooit zo veel mensen bij elkaar gezien. De stad was zo vol van de duizenden verschillende mensen die er rondliepen. Er liepen boeren, kooplieden, zwervers en rijke lui rond. Er was zo veel te zien. We waren langs wel honderd marktkraampjes gekomen die allemaal verschillende dingen verkochten. Marktlui riep door de straten om mensen voor hun producten te werven. Er werd zo veel verkocht, brood, fruit, groente, kaas, vlees, kleding, sieraden, schoenen, messen, fel gekleurde en prachtig versierde tapijten en nog veel meer. Zoveel verschillende geuren waaiden over het marktplein, heerlijke geuren van vers gebakken brood en de zoete geuren van het rijpe fruit, heerlijk ruikend vlees wat gebraden werd maar ook de geur van sterke kruiden die verkocht werden.
Van de marktpleinen af, in de straten was het ook druk. Naast natuurlijk de vele woonhuizen waren er ook enorm veel winkels in de stad. Nafal was langs een bakkerij geweest en kocht daar brood. Terwijl Amras en ik buiten stonden te wachten liep het water ons in de mond van de heerlijke broodgeuren die naar buiten drongen.
Wat mij toch een beetje zorgen wekte was de hoeveelheid soldaten. Tussen de grote mensenmassa's door liepen tientallen soldaten, zeker in de drukke gedeeltes van de stad. Op elk plein liepen er al minstens vijf rond en op elke straathoek kon je er vaak ook minstens twee vinden. Dat zou zeker lastig kunnen worden. Gelukkig had Amras zijn haar geverfd, misschien was onopgemerkt de stadspoort binnen komen niet het grootste probleem, maar eenmaal in de stad zou hij zijn witte haar nooit onopgemerkt kunnen verbergen. Ondanks dat Amras' echte haarkleur goed verborgen was onder een laag rode verf was, schoten er nog steeds zenuwen door me heen zodra er een soldaat langsliep. Elke keer kwam die angst weer naar dat ze Amras toch herkende.
Nafal had ook de kleinere, meer afgelegen straatjes laten zien. Daar vond ik wat meer rust. Vergeleken met de drukke straten en pleinen waren die straatjes echt afgelegen. Ze waren smaller en donkerder en er waren amper winkels te bekennen. Er liepen ook geen soldaten meer rond, een keer een enkele soldaat die een ronde deed.
"Dit zijn de wat meer afgelegen woonwijken, op hier en daar een herberg of kroeg na zul je hier niet veel leven aantreffen." had Nafal ons verteld.
Dat klopte, in die tijd dat ze door de straten daar liepen zagen ze amper mensen. Alleen een enkele keer een voorbijganger die haastig opweg was naar zijn huis of een groepje mannen die ons vuil aankeek. Soms zag je iemand een huis in of uitgaan, maar dat was het dan ook wel. Hier was veel minder leven dan in het drukke centrum van de stad.
De dag ging snel voorbij. Inmiddels was de zon al een stuk gedaald en streken lange, warme zonnestralen op de stad neer. Voor ons was het daarmee ook tijd om terug naar Nafal's huis te gaan. Ik keer ernaar uit om de wolven te zien, ik hoopte dat ze zich een beetje braaf gedragen hadden in de tijd dat ze opgesloten in de schuur hadden gezeten.

Eenmaal bij het huisje aangekomen, was het eerste was Amras en ik deden naar de schuur rennen en de wolven bevrijden, terwijl Nafal het eten binnen legde. Voor we de deur goed en wel open hadden gedaan sprongen de wolven al jankend en piepend naar buiten. We werden omvergerend en belanden allebei op de grond. De wolven spurtte een eind van ons weg om vervolgens weer dollend terug te komen rennen en ons uiterst enthousiast te begroeten. Nero sprong op Amras en begon zijn gezicht te likken. Ik was zo blij dat ik Zenras dát afgeleerd was. Ik streek mijn wolf door zijn vacht, opgesloten zitten was niks voor deze dieren.
Die avond zaten we uren lang te praten over wat we vandaag gezien hadden en hoe het verder moest. Ondertussen aten we het brood dat Nafal had gekocht, samen met een stuk heerlijk gerookt vlees. Amras was degene die het plan zou bedenken. Ik had ook al nagedacht over een plan, maar ik was niet zo van de plannen. In mijn hoofd kon ik nu geen duidelijk en praktisch plan uitwerken om de toren in de komen. In mijn hoofd was alles een grote brei, ik moest het zien om te bedenken wat ik zou gaan doen. Het maken van een goed plan was niet aan mij uitbesteed. Dus deed Amras het, wel met hulp van Nafal en mij.
Zelfs Amras had moeite met het bedenken van een goed plan. Hij was nog met niks gekomen en zat al de hele avond diep na te denken.
"Je hoeft je niet te haasten, Amras", zei Nafal.
Ik knikte. "Ja, we hebben morgen nog. Morgen gaan we weer de stad in en dan gaan we toren bekijken. Dan kunnen we zien hoe die eruitziet en in elkaar zit, en niet onbelangrijk; hoe het met de hoeveelheid bewaking zit."
Amras knikte nadenkend. "Ik denk dat bij het licht komen niet het moeilijkste zal zijn, maar het licht vanuit de toren meenemen de stad in wel. Hoe kunnen we in godsnaam onopvallend een dat ding mee de stad uit nemen? Iedereen merkt onmiddellijk als het weg is en het is ook niet bepaald dat je het onopvallend kunt meenemen."
Ik zuchtte. Het was alsof er een zware last op mijn schouder viel. Daar had ik nog niet over nagedacht. Het klonk allemaal onmogelijk. Ook Nafal liet een diepe zucht horen.
"Ik zou het ook niet weten, echt niet, sorry." zei hij.
"Dat maakt niet uit Nafal, het is niet jouw probleem." zei Amras.
"Dat weet ik, maar ik ben hier om julllie te helpen," antwoordde Nafal.
De rest van de avond praatten we door over alle mogelijkheden die de stad ons bood. Waar het rustig was, waar je je kon verschuilen. Morgen zou Nafal eerst een herberg boeken voor ons alle drie. Daar zouden we die nacht blijven slapen zodat we de volgende dag meteen aan de slag konden gaan en Nafal een schuilplaats had. Zenuwen tintelde door mijn lijf. Ik betwijfelde of Amras met een goed genoeg, werkend en praktisch plan zou komen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen