Dit is een kortverhaal, dus dit is meteen al het begin en het einde. Ik schreef dit ergens vorig jaar in een bui van inspiratie.


Ge-edit en ge-beta'ad.

Koken, schrobben, strijken, dweilen, opruimen, stofzuigen, en het servies poetsen tot het glansde. Dat was mijn taak ten huize Peeters.
Mijn man vroeg me nooit iets, niet om mijn mening, niet om mijn suggesties, alleen vroeg hij naar complimentjes.
‘Mooi schat’ ‘Zeer goed gedaan schat’ ‘Proficiat lieveke!’
Nooit vleide hij me, nooit kreeg ik lof voor de vicieuze cirkel van mijn werk.
En als ik ernaar vroeg, dan moest ik mijn mond houden en hem nog wat aardappelpuree geven.

‘Sois belle et tais-toi!’

Dat was zijn antwoord.

Maar ik kreeg er genoeg van, genoeg van het zwijgen, genoeg van liefjes te kijken terwijl de mannen “mannenwerk” doen. Waarom mogen wij, de vrouwen, niet eens met een zaag werken? Bij de bank geld beleggen of een eigen restaurant openen?
Oneerlijk, dat was het.
Laf, zo voelde ik me.
‘Sois belle et tais-toi!’
Kreeg ik antwoord, die avond, die ene buitengewone avond op 21 maart 1926.
‘Nee!’ riep ik, ik was het kotsbeu, meer dan beu, razend was ik!
Mijn man had me vreemd aangekeken, hij was het niet gewoon dat ik tegensprak.
Ik sprak nooit tegen, nu ik erover nadacht.
‘Genoeg!’, had ik gezegd. ‘Basta!’
‘Ik kook, schrob, strijk, dweil, ruim op, stofzuig en poets het servies de hele dag door, de hele week lang! Behalve op zondagochtend, want dan is het de mis. Hoe denk je dat ik me voel?
Ik voel me nutteloos, een gebruiksvoorwerp, vies en laf. Hartstikke laf!’
Voor hij de vijf gemene, dodende woorden kon uitspreken, sprong ik er weer tussen, ‘Jij laat mij nu eens spreken! Nooit geef je me moed, ondersteun je me, sta je me bij, nooit! Het enige waar je om vraagt is of je das wel goed zit. Raad eens schat, hij zit nooit goed!’
‘Marie-Josefine!’ had hij gebulderd, met schuimbekken langs zijn gezicht.
‘Vanaf nu is het Jo!’ had ik in een opwelling gezegd.
‘Jo!’ smalend had hij me aangekeken, ‘wat is dat nu weer voor een bespottelijke naam?’
‘Hoe durf je hem zo te vinden! Mijn naam is nu Jo en als je hem niet mooi vindt dan schop je me er toch gewoon uit?’ daagde ik hem uit. Het had goed gevoeld om zo tegen hem te tieren, hem tegen te spreken, voor mezelf te zijn opgekomen.
Gretig keek hij me aan: ‘Zo’n mooi gezichtje kan ik niet alleen op straat laten rondlopen, dat is gevaarlijk.’
‘Ik ben méér dan een mooi gezicht! Ik- laat me verdomme los!’ hevig probeerde ik mijn arm los te rukken. Nijdig keek hij me aan, ‘Vrouwen schelden niet! Ze zwijgen! Sois belle et tais-toi!’
‘Nee!’ schreeuwde ik.
Een klap in mijn gezicht deed me hard op de grond vallen, nog steeds heb ik blauwe plekken van die avond. Hij rammelde me nog door elkaar, gaf me stampen en stompen, maar ik hield me sterk. Ik had hem niet laten winnen. Niet één traan rolde van mijn wang die nacht. Niet één.
‘Jij gaat nu eens goed naar me luisteren! Ik ben de baas, ik zorg voor eten op tafel en ik zorg dat jij blijft leven in deze godvergeten crisis. Dus jij houd je stil! Gesnopen?’

Langzaam had ik geknikt, meer schoppen wilde ik niet. Hij keek me nog even vuil aan en ging dan weer zitten op de kop van de tafel, waar hij hoort te zitten.
Ik ging rechts van hem zitten, als zijn rechterhand, hoe het hoort te zijn.
Beiden zeiden we geen woord meer, alleen vroeg hij of ik wat aardappelpuree voor hem wou opscheppen.
Ik had ja gezegd.
‘Als je hebt afgeruimd, kan je naar onze slaapkamer gaan, daar kan je het wel goedmaken.’ Hij had gebiologeerd naar mijn lichaam gekeken om dan een sigaar op te steken in de woonkamer. Rillingen kreeg ik er van, hoe durfde hij me zo te bekijken.
Een gebruiksvoorwerp, zo voelde ik me altijd.
De tranen prikten achter mijn ogen, maar ik liet ze niet de vrije loop. Dat kon en mocht niet gebeuren.
Ik had een plan.
Langzaam vlijde ik me op zijn schoot en fluisterde iets tegen hem. Hij grijnsde van oor tot oor en keek me hebberig aan.
‘Kom maar over tien minuten naar boven,’ legde ik hem nog toe.

Voor deze ene, ongebruikelijke keer had hij oké gezegd. Het zou ook zijn laatste keer zijn.
Het was een prachtige avond, niet zoals de vorige avonden waar het bakken uit de hemel viel, het lot was bij me. God was akkoord, ik had zijn zegen.
Het duurde niet lang voor ik alles bij elkaar had geschraapt, veel had ik niet. Cadeaus krijgen of mezelf iets geven stond de heer Peeters niet toe.
Snel werp ik een blik op het raam, mijn ticket naar de vrijheid. Zorgvuldig stopte ik mijn blonde halflange haar in een pet zodat het niet opviel dat ik een vrouw was. Een dame na de avondklok was praktisch een taboe! Zonder enige vertwijfeling sprong ik uit het raam, en viel ik hard op de grond.
Kermend van de pijn sta ik recht, ik voelde voorzichtig aan mijn gekneusde enkel. Met het gestolen geld kon ik een bezoekje aan de dokter wel betalen. Ik had lang gewacht, horend of hij erachter was gekomen. Twee minuten, vijf minuten, acht minuten. De tiende minuut was begonnen toen ik een luide gil hoorde, meteen kwam ik in actie en stoof weg, de nacht in.

Hallo, ik ben Jo. Een feminist.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen