Foto bij 066 - Rain

Amras
Ik luisterde naar het zachte tikken van de regen op het rieten dak. Verder dan de regen was het stil en aardedonker in het huis van Nafal. Ik staarde voor me uit de duisternis in, mijn vermoeide lichaam lag comfortabel op het bed. Nafal en Yarea sliepen al een tijdje, maar ik kon de slaap maar niet vatten, mijn hersenen maakten overuren van het tobben en het zoeken naar het perfecte plan. Ik ademde zachtjes en ik hoorde de wolfjes zachtjes piepen in de schuur, ik had medelijden met ze, morgen zouden ze weer opgesloten moeten worden. Morgen zouden we meer gedetailleerd de stad verkennen en dan voornamelijk het licht bekijken om daar vluchtroutes te ontdekken en overal een goed plan te bedenken. Het kwam op mij aan, ik had de taak gekregen omdat ik er het best in was. Plannen bedenken en strategisch denken waren dingen die ik snapte. Al werd deze missie steeds lastiger. We hadden de avond besteed aan vergaderen en ideeën bedenken en wat we gingen doen met de wolfjes en hoe we de poort uit kwamen. Ik was al opgelucht dat het licht niet als een vuurtoren over de stad scheen, anders was elke verandering aan het licht zo opgemerkt. Het drakenoog had boven in de toren wel licht uit gestraald, maar dat zou met een grote lap stof verborgen kunnen worden. De poort uitkomen zou dus op zich een van de makkelijkste dingen worden van de missie. Dit gold alleen als het niet opviel dat het licht überhaupt gestolen was, als het goed ingepakt was en als we niet werden herkent of gecontroleerd aan de poort.
Ik had gevraagd aan Nafal of er misschien nog rituelen werden gedaan met het drakenoog en dat je het dan met een religieus excuus de stad uit kon krijgen, maar die waren er niet. Het licht was nog nooit van zijn plek afgehaald en ik vroeg me af of het dan niet muurvast zat op zijn pilaar. Gereedschap was dus ook handig om mee te nemen. Ik draaide me op mijn zij en trok de deken wat stevig om me heen. Ik sloot mijn ogen, drukte de zenuwen en gedachten van me af en probeerde te slapen. Maar hoe ik ook probeerde het beeld van het drakenoog, dat dreigend op me af kwam, bleef maar in mijn hoofd zitten. Tot ik uiteindelijk doodmoe in een onrustige slaap viel.

De vogels floten helder en vrolijk, de vroege ochtendgloren schenen door de ronde ramen. Al gapend sneed ik het brood, Yarea was bezig de rest van het eten in te pakken voor de lunch. Ik keek uit het raam, het was een frisse lentedag, de zon was nog net te zien door een stukje blauwe lucht. Er was nog een beetje blauwe lucht boven het huis, maar aan de horizon naderde alweer een dik wolkenpak. Ik hoopte dat het zou gaan sneeuwen, ik was nog niet klaar voor de lente. Yarea keek echter niet al te blij naar de lucht, ze vond het vreselijk nat geworden. Snel stopte ik mijn laatste broodje in mijn mond, we waren klaar voor vertrek. Nero keek me piepend en met hangende oren aan toen we afscheid voor de dag gingen nemen.
"We zijn vanavond weer terug, rustig maar" zei ik tegen hem en ik woelde door zijn dikke vacht.
Hij porde met zijn neus in mijn buik, Yarea en Nafal wachtten op me, maar Nero liet me niet gaan. Ik haalde mijn amulet om mijn nek en deed het bij de wolf om. Hij probeerde het ruw van zich af te halen, maar toen het amulet zijn vacht aanraakte werd hij opeens heel kalm. Ik keek er verbaasd naar, het was een wonderlijk ding dat amulet, Nero's oren stonden weer wat overeind, al zag ik dat hij het nog steeds niet leuk vond dat we weg gingen. Nafal maakte een ongeduldig gebaar. Ik gebaarde dat ze stil moesten zijn en sloot de schuurdeur. Toen draaide ik me om en liepen we naar de stad.
"Het zou nog eens kunnen gaan regenen" zei Yarea en ik knikte. Nafal keek nu ook naar de dreigende lucht.
"Als het maar niet gaat onweren, dan vind ik het best" zei hij. Ik knikte, mijn gedachten dwaalden af naar de missie.
"Ik zat dus te denken... Geeft het ook licht 's nachts? Want zo niet dan hoeven we alleen maar langs de bewaking te komen. Maar het kan ook meteen opvallen als er enige verandering is aan het licht als het super fel is" zei ik. We hadden het licht al wel zien schijnen gister, het had niet al te fel geschenen. Beter gezegd dat je het haast niet over de stad zag schijnen. Wel als je naar de kern keek werd je wat verblindt, maar verder leek het een helderblauwe lamp. We zouden het makkelijk kunnen verwisselen of überhaupt gewoon stelen en niemand zou het merken.
"Ik heb het 's nachts zien branden. Niet al te fel, ongeveer net zo fel als de ogen van jullie wolven, al dan een wat groter oppervlak." zei Nafal. Yarea glimlachte en zei: "Het zou wel makkelijker zijn als het 's nachts niet scheen en dus pikkedonker was."
De muur kwam van de stad doemde langzaam voor ons op. Ik keek de horizon af en zag de grote witte muren, muren die onmogelijk te doorbreken waren. De enige in en uitgang waren de stadsmuren. De poorten stonden open, karren beladen met groentes reden naar binnen. "Hè jammer dat er geen hooiwagen is" fluisterde ik tegen Yarea, die glimlachte. "Tja dat zou zonde zijn van die prachtige haarkleur" zei ze. Ik keek haar met rollende ogen aan en liet toen een oranje pluk haar door mijn vingers gaan. "Net broer en zus" zei Nafal.
We liepen door de poort heen en ik keek met lichte zenuwen in mijn buik naar de wachters op de muur. Ze lette niet op ons, wel zag ik twee wachters op de grond naar ons toelopen. Mijn hart maakte een sprongetje en ik stond stokstijf stil. Hadden ze me herkend? Was dit het einde en was de hele reis voor niets geweest? Paniek schoot in me op toen ze dichterbij kwamen. "Wat is er?" vroeg Yarea. De wachters liepen langs me heen en ik haalde opgelucht adem. Ik keek achterom en zag dat ze een oud en vieze man hadden opgepakt. "Er is hier geen plaats voor zwervers" zei de ene wachter streng en ze begeleidden hem met geweld de poort weer uit. Verschrikt maar opgelucht liep ik verder om me weer aan te sluiten bij Yarea en Nafal. "Niets" antwoordde ik Yarea. Ze zette een sluwe glimlach op. "Ik heb jou wel door" leek ze te zeggen met haar blik. Ik keek haar schuldig aan en we liepen door.
Mijn bleek gleed naar de lucht, naar de grote hoge toren met het dansende vuur van het drakenoog. Het stak af tegen de donkere wolken. Ik sloot mijn ogen en genoot van de frisse ochtendlucht en net op dat moment voelde ik de eerste druppels op mijn gelaat vallen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen