‘Broeders, zuster, dit is niet goed. Altijd maar hetzelfde weer, dat is slecht voor de wereld.’ Herfst heeft haar ogen gericht op Zomer, de op één na oudste maar de drukste. Hij zit in kleermakerszit op één van de sterren.
‘Iedereen wilt Zomers weer…’ mompelt hij slaperig. Het is een lange dag geweest en iedereen is een beetje doorgedraaid. Lente ligt al half te slapen en Winter heeft zijn hoofd op zijn handen liggen. Herfst is als enige nog een beetje bij haar positieven.
Herfst zucht. Haar broers en zus zijn zó ongecontroleerd! ‘Jongens! Let op! Dit kan zo niet langer! We ruziën nu constant over het weer op aarde! De wereld raakt uit balans en daar moeten we iets aan doen!’
Als de rest niet reageert, ontploft ze. Haar groene ogen lijken vuur te schieten. ‘Verdomme, seizoenen! Wij zijn de enigen die de wereld van de afgrond kunnen redden, maar jullie doen niks! Als de wereld vergaat, gaan wij er ook aan! Dat heeft vader gezegd!’
Vader Tijd heeft hen laatst deze taak opgelegd, als zijn oudste zoons en dochters. Zijn andere kinderen hebben andere taken gekregen, maar deze taak is wel de belangrijkste. Het is één die alleen door gefocuste personen kan worden volbracht, maar focus is iets wat Lente, Winter en Zomer niet hebben.
‘Jongens! Let op!’ roept Herfst kwaad. ‘Jullie zooitje ongeregeld gespuis!’
Met een zucht komt Lente overeind. ‘Zusje, relax. We gaan er wat aan doen, morgen…’
Lente, als oudste, denkt de leiding te hebben. Mooi niet, als het aan Herfst ligt! Ze moeten zich gewoon wat beter gedragen.
‘Anders maken we er morgen een koud weertje van! Lekker mijn weer, sneeuwballen gooien…’ Winter springt op, en legt alles wat hij in de volgende wil levendig uit. Serieus, is dit dat slaperige joch van een paar minuten geleden?
Herfst zucht weer. ‘We hebben variatie nodig. Het liefst een paar maanden van elk weer. Maar, dan is de vraag weer, hoe kunnen we dat regelen?’
‘De demon Nacritie kan helpen.’ Meteen slaat Zomer zijn handen voor zijn mond. De anderen kijken hem verwonderd aan. Nacritie, hun jongste zusje, is door haar verraad aan hun vader veranderd in een demon, na een engel te zijn geweest. Niemand mocht meer met haar spreken, tenzij het niet anders kon. Lente, als oudste kind, is de enige die altijd met Nacritie zou kunnen praten. Zij moet ermee instemmen, anders gaat het niet door.
‘Oké,’ knikt ze langzaam, ’laten we naar ons zusje gaan.’

‘Nacritie, laat je zien!’ Vuur, de bewaker van het Demonenrijk, houdt een fakkel in de lucht.
‘Bedankt, broertje,’ Lente zucht, en met trillende handen lopen zij en de andere seizoenen de poort door. De hele familie koestert afschuw voor de jongste, en tegelijkertijd… angst.
Gelach snijdt door de oren van de seizoenen, Herfst drukt haar handen op haar oren. Zij kan niet goed tegen geluid.
‘Zo, dus mijn broers en zussen zijn eindelijk van plan om me te komen bezoeken?’ Een meisje van hoogstens vijftien staat met haar rug naar de seizoenen toe. Zomer en Winter wenden hun ogen met een brok in de keel af door het gebrek aan kleding.
‘Nacritie, kon je je niet toonbaarder laten zien?’ Lentes stem hapert, en Nacritie draait zich om. ‘Sorry, zus, maar alles is verbrand toen jullie me hierin stopten. Ach, ja, ik voel me goed zo.’ Ze slaat een paar handen weg die door de wanden achter haar zich om haar middel willen sluiten. ‘Nee, ik heb bezoek.’
Herfst en Lente kijken haar verafschuwend aan.
‘Oké, jij hebt geen leven,’ zegt Lente zacht, ‘maar we hebben je hulp nodig.’
Nacritie lacht en drentelt om haar broers en zussen heen. ‘Oh, dus de vier grote seizoenen hebben de hulp nodig van kleine Nacritie? Oké, wat is het?’
‘We willen de verschillen in het weer in bepaalde maanden stoppen, en jij bent de enige die dat kan.’
‘Oh, geweldig!’ kraait de demon. Ze pakt Zomers handen vast. ‘Geweldig, toch, broer?’
Zomer kijkt Herfst en Winter gespannen en bang aan.
‘Nacritie, laat hem los.’
Ze zucht. ‘Oké, maar over jullie vraag: ik wil er wel iets voor terug hebben.’
‘Ja, je mag een vriendje.’ Lente heeft haar ogen op de grond gericht, en de demon roept: ‘Daar heb ik geen behoefte aan! Ik wil een slachtoffer. Als we dit doen, moet elke duizend jaar één van mijn demonen vechten tegen een onschuldig mensenkind. Hij of zij is niet ouder dan vijftien, en zal door mij uitgekozen worden. Jullie kunnen het herkennen aan een zwarte maan op haar voorhoofd.’
De seizoenen zijn even stil. Een mensenkind tegen een demon… dat kan nooit goed aflopen!
‘Zowel het kind als de demon mogen geen bescherming dragen, en geen wapens bezitten. Jullie, of jullie afstammelingen moeten dit kind opzoeken in zijn of haar dertiende levensjaar. Twee jaar zullen er voorbij gaan, en dan moet het kind zijn of haar krachten laten zien. Jullie moeten het kind opleiden.’
‘Wat als we het niet doen?’
‘Dan laat ik de tijd stoppen. Ik vermoord vader en moeder, en onze broers en zussen. Ik laat niks van de wereld heel. Deal?’ Nacritie steekt haar hand uit naar Lente.
‘Deal.’

Duizend jaren zijn verstreken sinds die dag.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen