Foto bij De wereld achter het tentdoek [4]

Ik sla mijn boek open en laat mijn ogen langs de regels glijden. Kapitein Ahab heeft Moby Dick nog steeds niet gevangen, hij komt niet echt verder. Ik ook niet trouwens.
Met een zucht doe ik het boek weer dicht.
‘Moet jouw looprek echt mee, Billy?’
‘Mijn moeder wil het, sorry.’
Ik hoor Roel zuchten. ‘Nik, ik denk dat je dan nog een stukje verder naar voren moet, anders gaat het echt niet passen. Nog een stukje… Prima.’
Ik kijk naar links en besef met een schok dat ik nu pal naast Aaron zit, hoewel hij dat zelf niet op lijkt te merken. Zijn hand gaat al naar zijn koptelefoon en dan, opeens…
Ligt mijn hand op zijn schouder.
Daar lijken we allebei van te schrikken. Haastig trek ik mijn hand weer terug en pers er een glimlachje uit. ‘Hoi, ik ben Nikki.’
Aaron kijkt mij aan. In zijn ogen zie ik twee gesloten deuren die ik met geen stormram open kan breken. Conclusie: tijd om mijn boek te pakken en te doen alsof er niets gebeurt is.
‘Aaron van Breukelen.’
Krijg nou wat, hij kan echt praten!
Als ik hem weer aankijk zie ik zelfs een kleine glimlach en een glimp van een beugel.
‘Waar woon jij eigenlijk?,’ vraagt hij.
‘Ook in Hooghduinen, twee straten achter jou.’
Zijn glimlach wordt breder. ‘Serieus? Ik dacht altijd dat ik de enige tiener in Hooghduinen was.’
Ik schiet spontaan in de lach. ‘Ik dus ook!’
Het ijs is gebroken, we praten alsof we nooit anders hebben gedaan en als we Hooghduinen binnenrijden, durf ik de vraag te stellen die al weken op mijn lippen brand.
‘Hoe ben jij eigenlijk op de Zilvermeeuw terecht gekomen? Ik bedoel, volgens mij kan jij prima op een reguliere school meekomen.’
Het is een oprechte vraag: ja, ik zie ook wel dat hij spastisch is en daarom een verkrampte hand heeft en daarom wat moeilijk loopt, maar dat is dan ook alles.
Maar zodra ik de vraag gesteld heb, weet ik dat een fout heb gemaakt: Aarons kaak verstrakt terwijl hij naar zijn gebalde vuist kijkt.
‘Ik ben daar weggegaan omdat men vond dat ik… anders was,’ zegt hij uiteindelijk.
Het duurt even totdat de betekenis van die woorden tot me doordringt. ‘Je bent weggepest vanwege je… handicap?’
‘Zo zou je het kunnen zeggen.’
Mijn woordenstroom droogt abrupt op. Hoe moet ik hier op reageren? Dit heb ik zelf nog nooit meegemaakt. Natuurlijk wordt er op onze school ook wel getreiterd, maar nooit zo. We accepteren elkaars beperkingen, dat is een ongeschreven regel waar iedereen zich aan houdt.
‘Het spijt me.’
‘Geen punt, je kon het niet weten.’ De bus stopt en Aaron staat op. ‘Tot morgen, Nikki.’
De deur gaat dicht en ik blijf alleen achter. Zwijgend, verward.

Dat was het moment dat Aaron de eerste gaatjes in het tentdoek van mijn eigen, veilige wereldje prikte. Gaatjes waardoor ik een andere wereld kon zien, een wereld die een stuk minder accepterend is dan dat ik gewend was.
Nog geen tien maanden later zou datzelfde tentdoek volledig aan flarden zijn.
Zou ik alles anders hebben aangepakt als ik dat had geweten? Ik weet het niet.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen