Foto bij 117 Achter

“Doen je buikspieren nog pijn?” Voor een van de weinige keren is Niall serieus en staren zijn blauwe ogen me in de donkere auto aan. Ik moet me op de weg concentreren.
“Ik voel het wel, ja.”
“Je hebt ons daarmee gered.”
“Eigenlijk werd ik gewoon aangeschoten, want zulke dingen mogen niet.” Het is even stil en ik weet precies wat dat wil zeggen; Niall wil het eigenlijk over iets anders hebben. Dit was gewoon een gespreksopener terwijl we op de tamelijk verlaten autostrade rijden.
“Je weet dat we al even achtervolgd worden, hé?” Ik hum en kijk nog eens in mijn achteruitkijkspiegel. Het is moeilijk te zien door het donker, maar een paar koplampen volgt me ondertussen al een hele afstand.
“Ik zal even vertragen om het te verifiëren.”
“Dat heb je mooi gezegd.” Ik glimlach en schakel een versnelling terug. Het is een belachelijk lage versnelling voor zo’n verlaten autostrade, dus de mogelijke achtervolger zou me snel moeten voorbijsteken. Ik wacht. De auto is ook duidelijk vertraagt want de afstand blijft groot. “Wat doen we?” Ik check nogmaals mijn spiegels voordat ik opnieuw gas geef.
“Zeker niet te hard rijden.” Niall lijkt onrustig, al kan hij dat enorm goed verbergen.
“Moet ik Harry voor je bellen?” Ik schud mijn hoofd en bijt aan de binnenkant van mijn wang. Nialls ongerustheid maakt me nerveus.
“Dat heeft geen zin. Ik breng je wel gewoon naar je thuis en rijd tot bij mij. Niets bijzonders.” Mijn stem klinkt kalm, al moet ik toegeven dat het me moeite kost om op de weg te letten en niet op de lampen in mijn spiegels. Het duurt dan ook lang voordat ik Niall afzet en opnieuw een stukje autostrade oprijd. Misschien is Harry bellen toch een goed idee. Mijn ongerustheid neemt toe en hij is degene die me kan afleiden van zulke dingen.
-“Hé tijger,” ik grijns gespannen om die openingszin en verstevig mijn plakkerige grip op het stuur.
“Ik bel je om te zeggen dat er nog tijgers zijn.” Het is even doodstil. Voelt hij mijn spanning?
-“Hoe bedoel je?” Oh ja, ik heb hem ongerust gemaakt.
“Praat gewoon even tegen me. Ik word al vijftien kilometer achtervolgd dus wat assistentie is welkom.”
-“Met een auto?”
“Nee, een ridder te paard.” Ik zou niet zo tegen hem moeten doen. Zijn hese stem verraadt immers dat hij zich aan het opwinden is, en ik snauw hem bijna af, terwijl het enige wat ik wil zijn hulp is. “Sorry. Zoals ik al zei: het werkt me op mijn zenuwen.”
-“Wat ben je van plan? Ik kan niets doen als jij in je auto rijdt.”
“Gewoon naar huis rijden.”
-“Dat wou ik je nog vertellen, het stikt hier nog steeds van de journalisten. Sommigen staan hier al enkele uren sinds de wedstrijd.”
“Ik kan mezelf er wel doorheen worstelen, blijf jij maar gewoon binnen. Ik ben er bijna.”
-“Dat weet ik.” Harry’s vampier-zijn vergeet ik vaak, maar deze opmerking is geen menselijke opmerking. “Ik voel en ruik je al.”
“Tot dadelijk, tijger.” Ik leg af en rijd doorheen enkele straten. Wanneer ik enkele minuten later mijn straat inrijd, zie ik inderdaad allerlei auto’s langs de weg geparkeerd staan. Auto’s van journalisten die in stevige winterjassen op de stoeprand overwinteren. Ik vertraag, de achtervolger doet dat ook. Wanneer ik de stoep wil oprijden, plakken ze als vliegen tegen mijn auto aan. Niemand omrijden en vooral geen gas geven. Geen gas geven, Louis. Geen gas. Enkele staan zelfs voor mijn auto waardoor ik besluit om dan toch mijn raam op een minieme kier te zetten.
“Louis! Zouden we je enkele vragen mogen stellen?” Ik geef de vele ogen een boze blik.
“Dit is mijn huis. Mijn privéterrein in mijn weinige vrije tijd. Wat kan er zo belangrijk zijn dat jullie je met mijn privéleven gaan bemoeien?” Even is het stil, ze hebben de boodschap wel begrepen.
“Jouw geaardheid heeft voor veel onrust gezorgd. We zouden graag met je praten.” Ik schud mijn hoofd en kijk even naar voor, de weg is nu vrij. Nog geen gas geven…
“Ik zal er even over nadenken, verwacht niets.” Zonder nog iets te zeggen, rijd ik traag verder om als enige de parkeergarage open en meteen weer dicht te doen. Ik zucht vermoeid. Een avondje met Harry is echt wel welkom. De deur vliegt dan ook bijna open waardoor ik een charmant glimlachende Har tegenkom. Hij leunt ontspannen tegen de muur aan.
“Hé, tijger.” Ik leg mijn tas op de grond en sla een arm om hem heen om hem eindelijk te kunnen begroeten. Zijn lippen en lichaam voelen ijskoud aan in mijn handen, maar hij gedraagt zich normaal. “Alles oké? Je bent koud.”
“Is dat een andere slechte openingszin?” Hij murmelt het met een zwaar accent waardoor het even duurt voordat ik kan antwoorden door mijn hoofd te schudden. “Heb je onze nieuwe huisdieren in de tuin al gezien?” Ik grijns om die vergelijking en maak mijn tas leeg.
“Ik weet nog niet of ik hen wel wil helpen.”
“Zoals ik al zei: je bent hun niks verplicht.” En toch vind ik het zo erg voor die mannen om daar buiten in het Engels weer te gaan staan. “Je hebt medelijden met hen.” Ik haal mijn schouders op na die hese opmerking en ga terug bij hem in de keuken staan.
“Het zijn ook maar mensen.” Ik zucht en bekijk mijn appartement. Het ligt er te proper bij. Het duurt dan ook even voordat ik door heb dat twee emerald kleurige ogen de mijne proberen op te zoeken. Hij voelt dat er iets is, hij heeft gelijk. “Ik ben dit appartement beu. Dit is niet mijn plek.” Dat was vast onverwacht, toch ziet Har er niet verrast uit.
“Je hebt niet eens ergens een fotootje staan.”
“Dat maakt me ook niet zoveel uit hier. En nu met die journalisten voor de deur…” Ik wrijf kort in mijn ogen. Harry is dichterbij gekomen wanneer ik deze weer open. We staan nu tegenover elkaar en mijn hartslag weet dat ook. Hij zegt niets. Hij wil dat ik het zeg, maar ik zwijg kort, hem bestuderend. Hij is bleek, heel bleek. Wanneer ik dichterbij kom, is er een kleurschakering waarneembaar in zijn oogkleur. Ik raak hem aan, hij is koud. “Je bent aan het verhongeren en je vertelt mij niet eens iets.” Hij zwijgt nog steeds, ik zucht. De vermoeidheid is duidelijk voelbaar en begint zich steeds meer te roeren in mijn lichaam. “Je weet dat je me daarmee kwetst?” Nu gaan die volle roze lippen wel even open, en weer toe. De neiging om mezelf van hem weg te draaien is groot, maar ik onderdruk die. Hij doet dit niet zomaar. Er is een reden waarom hij dit doet. Dit, zijn behoeftes verzwijgen, negeren.
“Jij kan daar weinig aan veranderen. Ik wou er je niet mee belasten.”
“Op die manier belast je me extra.” Ik zwijg even en onderdruk nu de neiging om hem aan te raken. Hem te liefkozen. “Plus, ik ben er tamelijk zeker van dat ik er wel degelijk iets aan kan doen.” Hij ademt nauwelijks, zijn lichaam is één gespannen blok. Ik raak hem wel aan. Mijn handen op zijn borstkas, mijn lichaam dat het zijne bijna aanraakt. Hij ademt nog steeds niet in. Geen enkele beweging in die borstkas van hem. Ik druk me tegen hem aan, hij neemt mijn handen dominant vast. Zo dominant en sterk als enkel vampiers dat kunnen. Ik kan mijn polsen niet draaien in zijn greep. Of toch niet zonder ze te breken. Wanneer ik terug opkijk, is zijn oogkleur rosékleurig. De honger speelt hem te parten. Ik negeer die kleur volledig en kus hem zachtjes op zijn wang.
“Ik zie je graag, Har. Ik wil niet dat je jezelf verwaarloost voor mij.”
“Ik vergeet mezelf gewoon altijd, dat is alles.” Hij murmelt het zachtjes en kust mijn vingers die nog steeds in die harde greep liggen. Hij ontspant zijn spieren en ademt in. Zijn oogkleur wordt roder. Deze keer kus ik zachtjes zijn lippen.
“Kunnen we voor één keer bij jou gaan slapen?” Ik ben het echt beu hier, maar dat moet ik niet zeggen. Dat is iets dat hij aanvoelt. Hij knikt en streelt liefkozend langs mijn slaap. “Hoe geraken we voorbij de journalisten?” Har maakt een sussende beweging, ik zwijg en neem mijn telefoon en oplader. Meer heb ik vannacht niet nodig, mijn knuffelbeer reist immers mee. Ik doe een jas aan en geef Harry zijn autosleutels, want hij is degene die ons voorbij de pers zal loodsen. Zonder nu maar enige moeite te doen om zijn uitgehongerde staat (en dus rode ogen en scherpe kaken) te verbergen, neemt hij mijn hand vast en sluit ik met de andere de deur. Het is doodstil als we in de auto instappen. We zijn beiden fysiek verzwakt; ik ben moe, hij heeft nog steeds een honger die alleen maar erger lijkt te worden. Zijn jeep ronkt in de verlaten parkeergarage.
“Buk je, ik heb getinte ramen, maar je weet het nooit.” Ik ga op de grond zitten en wacht tot we de helling zijn opgereden. Daar vertraagt de auto zachtjes, waarna hij een bocht maakt en weer optrekt. Ik ga terug zitten.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen