Foto bij Chapter nineteen

Een zachte bries streelt langs mijn gezicht als ik aan de oever van de rivier zit. Met mijn benen in het ijskoude water hangend, kijk ik naar de felle blauwe lucht boven mij. Een zwakke glimlach staat op mijn gezicht en sluit met een zucht mijn ogen.

‘Pardon? Ik ben op zoek naar de kamer waar Hinami Nara ligt,’ vraag ik met een bezorgde toon. Ik word even onderzoekend aangekeken door de assistente achter de balie, die vervolgens met een afkeurende blik van mij, naar haar scherm kijkt. ‘Kamer 34,’ mompelt ze even en gaat zonder om of op te kijken, verder met haar werk. Zonder iets te zeggen, loop ik naar de juiste gang. Voor mijn gevoel is de gang enorm lang. Ik passeer een aantal mensen die buiten een kamer, op een stoel zitten te wachten. Hun afkeurende blikken branden in mijn rug terwijl ik met een bos bloemen naar kamer 34 loop. Eenmaal aangekomen, blijf ik even staan. Ik slaak een diepe zucht, klop zachtjes aan en open dan de deur. Een man en een vrouw, keren meteen hun hoofd naar de deur. De vrouw lijkt te schrikken, de man ziet er woedend uit, maar houdt zich in. Ik schenk ze een waterige glimlach. ‘Zou ik binnen mogen komen?’ vraag ik voorzichtig, zonder een vin te verroeren en houdt de bos bloemen een stukje omhoog. De man knikt kort en gaat bij de vrouw staan. Zonder iets te zeggen, stap ik de kamer binnen en leg ik de bloemen op een kast, naast het bed neer. Ik kijk neer op het kleine breekbare meisje dat in het bed ligt. Ze ziet er vredig uit, maar het is duidelijk dat ze er niet zonder blijvende schade vanaf gaat komen. ‘Ik-’ begin ik aarzelend en keer me naar de man en vrouw. ‘Het spijt me enorm voor wat er gebeurd is,’ zeg ik oprecht. Ik bal zacht mijn vuisten en bijt mijn lip open. ‘Ik zal beloven dat het nooit meer zal gebeuren, maar-’ ‘Dat zal zeker niet meer gebeuren. We hebben aangifte gedaan. Jij zult nooit meer een voetbal aanraken!’ schreeuwt de man me toe. Vol ongeloof kijk ik op naar de man voor me en knars mijn tanden op elkaar. ‘Dat kunt u mij niet verbieden,’ sis ik tussen mijn geknarste tanden door. ‘Je hebt me misschien mijn dochter wel afgenomen! Je bent een monster! Verdwijn!’

Ik open langzaam mijn ogen en knijp zachtjes in het gras. Wat heb ik in hemelsnaam gedaan? Mijn moeder had gelijk. Al die tijd had ze gelijk, maar ik was eigenwijs. Ik liet me meeslepen door het moment. De adrenaline en energie die zich door mijn lichaam gierde, het voelde zo goed, het voelde zoals vroeger.
Ik werp een blik op mijn pols en lift het omhoog tot voor mijn gezicht en kijk naar de armband die erom zit. De limiter die Hiroto me gaf. Nadat hij me dit gaf, kon ik zonder pijn spelen. De kracht die ik in dat schot heb gestoken, had zo enorm veel pijn moeten doen, dat ik het veld niet eens af had kunnen vluchten nadat de chaos losbrak. Vanaf het moment dat ik van het veld gevlucht bent, heeft Kidou contact met me proberen te zoeken, maar ik heb hem continu genegeerd. Ik heb met niemand meer gesproken. Gewoonweg omdat ik mijn gezicht niet durf te laten zien aan hen. Ik ben weggerend van mijn problemen. Op dit moment ben ik alleen maar een lafaard. Een doffe klap, zorgt ervoor dat ik mijn gezicht opzij draai. Op datzelfde moment, raast er een voetbal vlak langs mijn gezicht en volgt er een harde plons achter me. ‘Kidou,’ mompel ik zacht en kijk over mijn schouder naar achteren. Met een zwakke glimlach kijk ik naar de jongen en draai me dan weer terug naar het water. Ik buig voorover om naar mijn benen te kijken en wrijf even over mijn rechterbeen. Er zitten hier en daar wat wonden, precies op de plekken waar de pinguïns zich vast genesteld hadden toen ik Frozen Penguin No.1 afschoot. Kidou is in stilte naast me komen zitten en kijkt via de weerspiegeling van het water, naar me. ‘Hoe voel je je?’ vraagt hij na een lange stilte en heeft zijn blik naar de rivier gericht. ‘Ik weet niet. Hoe zou jij je voelen als er door jou toedoen allemaal mensen in het ziekenhuis belanden en je vlucht voor de chaos die jezelf maakt?’ vraag ik hem. Kidou blijft stil. Duidelijk niet wetend hoe hij zich op dit moment in mijn schoenen moet plaatsen. ‘Is dit waarom je zolang van de radar wilde blijven?’ vraagt Kidou. Ik kijk hem verbaasd aan en wend dan zuchtend mijn hoofd af. ‘Dat klopt,’ beantwoord ik zijn vraag. ‘Zoals je weet, bezit ik enorme vaardigheden en zit er onmenselijk veel kracht achter mijn schoten. Net als tijdens de wedstrijd met Zeus, is het al een aantal keer eerder fout gegaan. Op Hakuren, op Zeus en op diverse andere scholen waar ik gespeeld heb. Mijn moeder besloot daarom dat ik niet mocht spelen, totdat ik het vertrouwen had dat het niet meer zou gebeuren,’ vertel ik verder. ‘Totdat je in aanraking kwam met Kageyama,’ mompelt Kidou als antwoord. Ik knik even als bevestiging en kijk naar het water. ‘Vanaf het moment dat ik met Teikoku begon te spelen, voelde ik al dat het de verkeerde kant op ging, daarom vertrok ik en ging ik naar Raimon. Ik had wat onderzoek gedaan toen jullie daar een wedstrijd gingen spelen en besloot me bij ze aan te sluiten, op de hoop mijn rust terug te vinden. Tot de wedstrijd tegen Zeus,’ verzucht ik. Ik laat me achterover in het gras vallen en staar naar de lucht. ‘Ice Queen,’ hoor ik Kidou zeggen. Ik draai vragend mijn gezicht naar hem toe en kijk hem aan. ‘Hoe kom je aan die naam, Milou?’ vraagt hij me als hij me aankijkt. ‘Je hebt me dat nooit verteld en als jouw beste vriend, hoor ik dat te weten,’ geeft hij als argument. Ik hoor hem er zachtjes om lachen en moet daardoor zelf ook zacht lachen. Ik draai mijn gezicht terug naar de lucht en sluit zuchtend mijn ogen. ‘Zoals je weet, kom ik uit het noorden van Japan, Hokkaido. Door de eeuwige sneeuwval daar heb ik mijn naam gekregen,’ zeg ik droog. ‘Einde,’ voeg ik eraan toe en kom overeind. ‘Nu serieus,’ zegt Kidou zuchtend en geeft me een zacht duwtje. Ik rol even met mijn ogen en rek me uit.
‘Toen ik jonger was en nog in Hokkaido woonde, had ik twee beste vrienden. Het was een tweeling, met twee totaal verschillende karaktereigenschappen. Een van hen zocht altijd een uitdaging op, terwijl de ander veel voorzichtiger was en er altijd voor zorgde dat we geen overhaaste en gevaarlijke beslissingen namen. Alle drie waren we dol op voetbal en toen we op school zaten, waren we natuurlijk alledrie lid van het voetbalteam. Al snel had ik in de gaten dat ik meer kracht uit mijn schoten kon halen door het gebruik van een hissatsu. De ijzige kracht die daar vanaf kwam, zorgde ervoor dat iedereen altijd onder de indruk was als ik speelde. En als enig meisje in het team, werd ik altijd behandelt als een koningin. Totdat een van de tweelingbroertjes naar me toe kwam. De betoverende, glimmende, gele ogen straalde ondeugd en kracht uit, maar tegelijkertijd een goede rivaliteit als mede-spits waardoor we elkaar enorm veel pushte. Hij gaf me de naam Ice Queen. Ik was het juweel van het team, ik was zijn juweel. Totdat mijn moeder me hierheen bracht. De stralende, gele ogen werden dof, de rivaliteit ging van vriendschappelijk, naar vijandig en hij keerde me zijn rug toe. Zijn broertje hield contact met me, tot ik van de radar moest verdwijnen van mijn moeder. Daarna heb ik niets meer van mezelf laten horen, tot de dag van vandaag.’

Reacties (1)

  • Luckey

    Oh boy!!
    I neef more !!!
    Snel verder!!

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen