Foto bij Prologue

De straat was uitgestorven. De regen hield de bewoners binnen, dicht bij het haardvuur. De nacht viel langzamerhand en bedekte het toch al triestige stadje met een laag duisternis. De rolluiken waren naar beneden en bij wie gordijnen had, piepten er slechts enkele lichtstralen door de stof.
Niemand was getuige van het donkere gedaante, gehuld in een lange mantel, die met een zachte ‘plop’ verschenen was. De kap was over het gezicht getrokken, zodat het gedaante onherkenbaar samenspeelde met de duisternis.
De stappen waren licht en snel, doelbewust op zoek naar iets. In het licht van de maan bestuurde het een oude fontein die zo te zien al jaren niet meer in gebruik was.
Het gedaante stak een hand uit; lange, bleke vingers raakten de fontein aan. De vingers voelden verder en gleden over oeroude inscripties in een vreemde taal. Plots, alsof het gedaante gestoken was, stond het recht. Terwijl het zich pijlsnel oprichtte, weerkaatste het maanlicht en wierp die een straal licht op het gezicht. Felgroene ogen, bijna vloeibaar gevaar, schitterden in de nacht. Het doodsbleke gezicht stak wit af tegen de duisternis.
Met een laatste, raadselachtige blik draaide het zich om.
De bomen slokten het gedaante op en niemand zou zich ook maar iets van het herinneren die nacht.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen