Oké... korte uitleg: zoals jullie weten was ik bezig om een nieuw hoofdstuk tussen twee oude te plaatsen, maar daardoor werd het zo'n warboel in mijn hoofd, dat ik gewoon maar heb besloten om de laatste twee hoofdstukken (De Poppenspeelster & De arme glasblazer) te verwijderen. Nu pak ik het verhaal weer op vanaf het moment dat Lily bij Vos is weggelopen.
Hopelijk volgen jullie het nog.;)

Veel leesplezier!

De grens

Kippenvel kruipt over mijn armen als ik mijn ogen open. De herfst is mijn kamer binnen geslopen. Ik strijk de kreukels uit mijn kleren en sluit het raam.
Met mijn hand tegen het koude glas, denk ik terug aan de vorige dag. Het warme, vertrouwde gevoel in Vos zijn huis, gevolgd door het getrek van de onzichtbare touwen en de helse pijn in de palm van mijn hand.
Verraad was het enige woord dat door mijn hoofd galmde toen ik naar huis rende, maar nu weet ik het niet meer zeker. De geschokte blik in zijn ogen leek oprecht.
‘Lily, tijd om op te staan!’ Moeders stem zweeft omhoog, mierzoet van de gemaakte vrolijkheid.
Met een zucht draai ik me om en loop naar beneden. Het huis lijkt donkerder dan normaal, waarschijnlijk is de stroom weer eens uitgevallen. De deuren naar de salon staan wagenwijd open, het is zo stil dat ik het geluid van moeders nagelvijl kan horen. Aarzelend blijf ik in de deuropening staan.
‘Het is hier koud,’ zegt moeder met dezelfde suikerzoete stem. ‘Wees een lieverd en steek de haard aan.’
Ik zie een gemene schittering in haar ogen, maar ik dwing mezelf te knikken, rustig naar de voorraadkast te lopen en de houtblokken in de haard te leggen. Ik hurk neer, draai een twijg tussen mijn handen en laat haastig los zodra ik de bekende hitte voel. Het vuur grijpt gretig om zich heen.
Ik haal beverig adem en steek mijn handen uit naar de vlammen, alsof er niets aan de hand is.
‘Vuur danst, verwarmt,’ hoor ik moeder zeggen, ‘maar het kan tegelijkertijd alles om zich heen vernietigen. Is dat niet fascinerend?’
Ik voel een rilling langs mijn rug lopen, maar voordat ze nog iets kan zeggen, schalt de deurbel door het stille huis.
‘Ga kijken wie dat is.’
Langzaam sta ik op en loop naar de deur. Nog voordat ik de deurklink goed en wel naar beneden heb gedrukt, wordt de deur al opengeduwd en wringt een zwart hondenlijf zich naar binnen.
‘Vriend?’
Vrolijk springt hij tegen me op, ik ruik het bos in zijn vacht. Maar mijn blik gaat al snel naar degene die achter hem staat.
‘Wie is het, liefje?’
‘De garagejongen.’
Ik hoor mezelf nu onzichtbaar te maken, maar ik kan alleen maar naar zijn gezicht kijken. Zoekend naar een hint, een verklaring voor wat er gisteren gebeurt is. Zijn gezichtsuitdrukking is blanco, zijn mond een dunne streep, maar als moeders tikkende hakken dichterbij komen, schieten zijn ogen naar Vriend, dan naar mij en weer terug.
Ik volg zijn blik en zie een klein stukje geel papier tussen Vriends halsband zitten. Snel trek ik het er tussenuit.
‘Wat doe jij hier nog? Wegwezen.’
Ik bal mijn hand met het papier tot een vuist en waag het nog een blik Vos’s kant op te werpen. ‘Ja, moeder.’
Ik duik de salon in, maar hou de deur op een kier. ‘Mijn vader komt uw auto morgen halen,’ hoor ik Vos zeggen. Zijn stem klinkt vlak, ongeïnteresseerd, ‘dat moest ik doorgeven.’
‘Goed zo, jongen. Hier, voor de moeite.’
De deur valt in het slot.
Ik begin aan het papier te peuteren, het is zo klein opgevouwen dat ik er zenuwachtig van word.

Schijn bedriegt. Ontmoet me bij de grens wanneer de hekken sluiten.

Ik draai het papier om en herken de flyer die al een tijdje in het dorp hangt. Een vrouw verkleed als wereldreiziger, springt direct in het oog.

Ila van der Pauw neemt jou mee de woestijn in en vertelt het verhaal over een arme straatrat en zijn wonderlamp. Ga jij met haar mee op avontuur?

Iets aan de flyer – de tekst, de vrouw met de blonde krullen – zorgt voor een vlaag van herkenning, hoewel ik niet weet waar die vandaan komt.
‘Wat heb je daar?’
Ik kijk op en zie moeder voor me staan. Eén wenkbrauw opgetrokken, haar hand naar de flyer uitgestoken.
‘Niets.’ Voor ze naar het gele papier kan pakken, verfrommel ik het en gooi het in de vlammen, waar het direct wordt verslonden.
Moeder grijpt me bij de pols, haar ogen vlammen nog heviger dan het vuur. Even ben ik bang dat ze mijn pols zal breken, maar dan laat ze los en stampt de salon uit.
Ik blijf staan waar ik sta, wachtend op de volgende confrontatie, maar die komt niet, er is een vreemde stilte over het huis neergedaald.
De straatrat en zijn wonderlamp, die woorden klinken bekend, alsof ik ze eerder heb gehoord. Of gelezen.
Ik ga terug naar mijn kamer en til het matras op, waar ik vaders sprookjesboek onder verstopt heb en begin langzaam te bladeren. Ieder verhaal ken ik uit mijn hoofd, en toch…
Dan zie ik het: restjes papier aan het einde van het boek, alsof de laatste pagina’s er haastig zijn uitgescheurd. Was dat altijd al zo? Waarom valt me dat nu pas op?

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen