Foto bij Hoofdstuk 105; Hunter

‘Hunter! Hunter!’
Vermoeid opende Hunter zijn ogen. Ze voelde zwaar.
‘Hunter!’
Hij schoot direct overeind. Wie hem ook riep, er was duidelijk iets mis. Hij trok snel zijn broek aan en greep zijn shirt. Hij stapte de tent uit en deed vlug zijn shirt aan.
Nog geen tien meter van zijn tent vandaan stond Pete. Hij zag er bleek en vermoeid uit, maar dat kon ook komen door de zwarte gloed die als zonnestralen rond hem zwierden.
Er kwamen meer mensen uit hun tent. Niet vreemd, want hoe vaak gebeurde het nou dat iemand midden in de nacht de boel bijeen schreeuwde.
Hunter haastte zich naar Pete toe. Op een meter afstand bleef hij staan, bevroren door de enorme kilte die er van Pete vandaan kwam.
‘Pete?’ Eve kwam aangesneld. ‘Wat doe je uit bed?’ Ze vroeg exact wat Hunter zich had afgevraagd. Pete was buiten bewustzijn geweest sinds ze waren aangevallen. Hij had zelfs op sterven gelegen. Ze hadden hem in geen dagen wakker gezien en nu stond hij plots in het midden van het kamp.
‘Wat moest ik dan doen?’ De vreemde, zwarte massa in Pete’s armen leek weg te glippen, maar hij bewoog vlug. Het leek bijna alsof hij probeerde water op te vangen.
Michael kwam aangelopen. Zijn haar zat verward en hij zag er uit alsof hij in een oncomfortabele houding in slaap was gevallen. ‘Wat is er al- Pete?’ Ook hij leek verward Pete te zien.
Pete leek er met de seconde slechter uit te zien.
‘Doe iets.’ Hunter keek naar Michael en toen naar Eve, die de wanhopige oproep had gedaan. Ze keek niet naar Michael, zoals hij had verwacht, maar naar hem.
Hunter schrok van het verzoek. Normaal keken ze naar Michael voor antwoorden. Toch liet Hunter niet merken dat het verzoek hem iets deed. Hij stapte naar voren, de ijzige kou in.
‘Pete, waarom gaan we niet terug naar je tent?’ stelde Hunter voor.
‘Terug- Wat? Nee. Ik kan haar niet zomaar los laten,’ Pete leek verward door Hunters verzoek.
Hunter keek naar de zwarte stralen die vanuit de donkere massa in Pete’s armen, alle kanten uit dwarrelde en uiteindelijk op gingen in de lucht. Hoe dichter bij de grond, hoe intenser het leek. Het was het beste te vergelijken met een waterval. Misschien trok het Pete ook naar beneden. Hunter bleef er naar staren, bleef de massa observeren, tot hij zich besefte dat Pete werkelijk iemand vast hield. Wie het ook was, de persoon ontnam Pete zijn kracht. Of misschien stond Pete het wel af.
‘Pete, je werd wakker door haar, of niet soms?’
‘Ze deed het niet expres.’ Pete verplaatste zijn arm opnieuw, in een poging de donkere massa bijeen te houden.
‘Waarom rust je niet even.’ Pete schudde zijn hoofd. ‘Geef haar maar aan mij.’ Hunter stak zijn armen uit. ‘Dan kun je rusten.’ Hij keek Pete strak aan. ‘Geef haar maar aan mij.’
‘Ik weet niet of dat kan,’ Pete klonk bijna bang. ‘Ik weet niet of jij haar hier kunt houden.’
‘Waarom niet Pete?’ vroeg Michael. Hunter wist dat er wel meer had gezegd, maar niet door Michael, niet zo helder als hij het vroeg.
Pete keek Michael aan. ‘Want ze is niet hier. Niet echt. Ik weet niet wat er gebeurt als ik haar los laat.’
‘Wat wil je dat we doen?’ vroeg Hunter.
‘Hoe moet ik dat weten!’ Pete greep de massa opnieuw vast. Hij wilde misschien het risico niet nemen, maar Hunter geloofde niet dat Pete veel andere keuze had. Pete zou haar niet lang meer kunnen vast houden. ‘Jullie zijn van het genezen. Zoek uit wat ze nodig heeft.’ Hij verplaatste opnieuw zijn armen. Zijn ogen zagen rood, zijn huid bleek en hij had wallen onder zijn ogen.
Hunter zette nog een stap dichterbij. Hij probeerde dicht bij genoeg te staan om in te grijpen als Pete het niet meer trok. Hij wierp een blik op Michael, die ook dichterbij was gekomen.
‘We gaan uitzoeken wat ze nodig heeft, oké?’
‘Oké,’ zei Pete zacht. Hij keek naar Eve en glimlachte zwakjes. ‘Eve, ik-‘ Hij bewoog zijn arm, om de massa opnieuw omhoog te tillen, maar greep mis. Het plotse gemis van het gewicht verraste hem en hij struikelde naar achter. Hunter stapte naar voren, klaar om Pete te grijpen, maar hij bedacht zich op het laatste moment en greep de zwarte massa vast, die naar beneden zakte.
Het moment dat hij het aanraakte, kreeg hij spijt.

Een moment lang was het koud. Hij voelde de pijn ervan tot in zijn botten. Dat was dan ook het enige wat hij voelde: die intense pijn. Hij voelde geen geluk, geen angst, geen woede of verdriet. Enkel die brandende pijn van de kou. Even dacht hij dat hij zijn ogen gesloten had, maar dat was het niet. Het was simpelweg donker. Overal waar hij keek was niets anders dan duister.
Toen begonnen de stemmen. Zachte fluisteringen, honderden die door elkaar heen gingen.
‘…je bent niet goed genoeg…’ ‘…stil maar, stil maar, de pijn gaat wel weg.’ ‘Heb je je ooit af gevraagd wat er is, daar waar niemand leeft?’ ‘…prachtig!’ ‘Mijn kleine meid…’ ‘Ira!’
Hunter draaide zich rond, zoekend naar de bronnen.
‘Wat dacht je wel niet?’ ‘…voorzichtig!’ ‘Waar ben je allemaal geweest?’ ‘…ik weet wie je bent.’ ‘Ik hou van je.’ ‘Ik hou van je.’ ‘Ik hou van je.’
Er was een plotse unanimiteit in de stemmen. Of misschien was het een stem die alles overstemde. Een bekende stem.
‘Apollo?’ vroeg Hunter verward.
‘Apollo?’ een heldere stem herhaalde de vraag. Hunter keek over zijn schouder. Daar stond ze. Een meisje met lang, zwart haar, een licht getinte huid en de meest prachtige groene ogen die je ooit bij een mens zou vinden. Ze was gekleed in een zwarte jurk, waardoor ze bijna weg viel in het donker. Ze keek hem aan, maar leek hem niet te herkennen.
‘Pan,’ zei Hunter zacht. Hij liep naar haar toe.
‘Ik hou van je.’ ‘Ik hou van je.’ ‘Ik hou van je.’ Fluisterde zijn vaders stem keer op keer. Het was de enige die nog leek op te vallen tussen de vele anderen.
‘Apollo?’ herhaalde Pan weer. Ze keek hem aan.
‘Pan, ik ben het. Hunter.’ Hij stond nu vlak voor haar, maar ondanks dat hij haar net had gezegd wie hij was, leek er totaal geen herkenning.
‘Ik hou…’ De stem van zijn vader viel terug tussen de anderen. Pan keek weg van hem, alsof ze iets zag in het donker.

Hunter draaide zich bij, maar er was niets te zien. ‘Pan?’ Ze reageerde niet. Hunter nam een moment om goed naar haar te kijken. Ze zag er ongezond uit. Dun, met blauwe plekken op haar hals en littekens verspreid over haar armen. Haar huid was grauw en haar ogen waren dof geworden. Ze leek in niets op de Pan die hij gewend was.

Hunter wist niet hoe veel tijd verstreken was. Hij was gaan zitten, gaan staan. Hij had rond gelopen en gezocht. Hij was elke keer terug gekomen bij Pan, die er uit zag alsof ze elk moment kon opgaan in het donker.

Hunter staarde naar het donker, net als Pan. Hij luisterde naar de stemmen die hen dingen toe fluisterde.
‘Vergeet me niet.’ ‘Waar ben je?’ ‘Pan.’ ‘Doe me geen pijn…’ ‘…mijn ouders…’ ‘Prinsesje!’ ‘Trouw met me…’
Hij keek naar Pan. Ze leek niets te merken. Ze had kippenvel van de kou, maar leek verder niets door te hebben.
‘Jij monster!’ ‘…mijn dochter.’ ‘Uit hen zal een krachtig stel ontstaan. Een die nooit verloren zal gaan.’

Hij had geen honger, geen pijn, geen kou. Hunter staarde naar Pan, voor wat als dagen voelden. Pan leek nog minder te voelen dan dat hij deed.
Hij probeerde te slapen, maar hij was niet moe.
Hij probeerde zich voor te stellen hoe het was om pijn te voelen, liefde of verdriet, maar hij kon het zich niet herinneren. Dus uiteindelijk deed hij wat hij altijd deed: hij staarde naar Pan.

Hunter drukte zichzelf overeind en liep naar Pan. Ze zag er zo kwetsbaar uit. Zo zacht. Hij raakte zacht haar wang aan, om haar gezicht naar zich toe te draaien, maar hij hoefde die moeite niet te doen. Zodra hij haar koele huid raakte, draaide ze haar gezicht weer naar hem toe. ‘Apollo?’
‘Ja?’ vroeg Hunter zacht.
Eindelijk kreeg hij reactie; Haar ogen dwaalde lichtjes rond. ‘Waar zijn we?’
‘Ik weet het niet Pan,’ zei Hunter zacht.
Ze keek hem aan. ‘Heb ik ons hier gebracht?’
Hunter knikte. ‘Sorry,’ zei ze zacht.
‘Het is oké,’ zei Hunter zacht. Hij sloeg zijn armen zacht om haar heen. Alsof ze nu pas merkte hoe koud het was, begon ze te rillen.
‘Het is zo koud,’ fluisterde ze.
‘Ik weet het,’ zei hij zacht.
‘Je voelt koud,’ zei ze zachtjes. Hunter streek door zijn haar, zich voorstellend dat zijn vader dat ook zou doen om haar gerust te stellen.
‘Maak je geen zorgen om mij,’ zei hij zacht.
‘Je bent nooit koud,’ zei ze. Ze keek hem aan.
‘Maak je geen zorgen om mij,’ herhaalde Hunter. Hij glimlachte haar toe.
‘Ik hou van je.’ ‘Ik hou van je.’ ‘Ik hou van je.’ Daar was zijn vaders stem weer.
Hunter bleef met haar in zijn armen staan en luisterde naar hoe zijn vaders stem zijn liefde voor Pan bleef verklaren. Het klonk bijna ritmisch. Misschien was dat het ook wel.

‘Ik mis je,’ zei Pan plots.
‘Hoe bedoel je, je mist me? Ik ben toch hier?’ Hunter keek haar aan. Hij wist dat Apollo niet echt hier was, maar Apollo was op Olympus en Pan kwam daar net vandaan.
Er liepen tranen over haar wangen. Plots voelde Hunter een steek van verdriet. Een steek die alle emoties terug bracht. Hij veegde zacht haar traan weg.
‘Ik ben hier,’ zei hij.
‘Ik mis je,’ zei Pan weer.
‘Sssh, het is oké. Ik ben hier.’ Hunter veegde de tranen weg met zijn duimen. Hij sloeg zijn armen weer om haar lichaam. ‘Ik ben hier,’ herhaalde hij. Hij boog zich voorover en plaatste zijn lippen zacht op de hare. Hij voelde haar trillende lichaam in zijn armen ontspannen. Haar koude lippen bewogen zacht mee met zijne. Hij trok haar gedachteloos dichter tegen zich aan.
Haar hand streek zacht over zijn borst, tot hij eindigde op zijn hart. Haar aanraking was subtiel en liefdevol. Het was genoeg om hem een warm gevoel te geven.

Het kostte hem moeite om zijn lippen van de hare te halen. Ze voelde zo zacht en uitnodigend tegen de zijne. Het voelde bijna natuurlijk om haar te kussen.
Hij voelde hoe ze haar hoofd tegen zijn borst legde, vlak naast haar hand.
Een zachte wind streek door zijn haar en deed hem zijn ogen openen. Het duister was weg getrokken. Ja, het was donker, maar natuurlijk donker. Er was licht van de maan en sterren, er was wind en natuur. Geen tenten, geen kampvuur. Er was niets wat hem vertelde dat De Wacht ook maar in de buurt was.
Hij keek naar Pan. Ze zag er vredig uit, alsof ze elk moment in slaap kon vallen.
Hij was er vrij zeker van dat ze al haar energie had gebruikt om te schaduwreizen. Dat was ook waarom Pete haar had gehoord en waarom ze bijna uiteen was gevallen in de schaduw. Misschien was dat zelfs wel gebeurt. Misschien was dat waar ze waren geweest.
Ze was onvoorzichtig geweest en dat had er toe geleid dat ze bijna in het niets verdwenen waren.
Hij haalde diep adem en tilde Pan toen op. Ze hing tegen hem aan. Haar lichaam was nog altijd koel, maar niet meer zo koud als eerder.
Hij wist niet exact waar hij naar zocht, De Wacht? Het kamp? Er moest een reden zijn dat ze hier terecht waren gekomen en hij zou uitvinden wat die reden was.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen