Foto bij H.14.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik stap onder de douche vandaan, druipend, maar fris, met bevuild geweten, maar schoon lichaam.
Met pijnlijke spieren wrijf ik mijn huid droog en trek dezelfde kleren als gisteravond aan.
Ik zucht vermoeid, geïrriteerd, gesloopt.
Mijn sok werkt niet mee op mijn vochtige huid en de naad zit precies daar tussen mijn teennagel en huid, waar ik de kriebels van krijg.
Verwoed verschuif ik de stof wat tot het goed zit, of in ieder geval niet verschrikkelijk.
Ik doe de deur van het slot en klik het licht uit.
Met gedempte voetstappen loop ik naar beneden.
Eerst ontbijt maken, dan Ammay wakker maken, vervolgens tanden poetsen en naar werk.
Nu nog hopen dat moeder lang genoeg in slaap blijft om ons te laten ontsnappen.

Ik leg net het broodmes weer neer als ik het belletje aan de deur hoor die een klant aankondigt.
'Sorry, maar Bidsy's is nog niet geo..' begin ik terwijl ik mijn hoofd naar de deur toedraai en wanneer ik daarmee klaar ben zie ik pas wie het is.
Of eerder: wie het zijn.
Ik zet een stapje achteruit, maar al gauw houdt het aanrecht mij tegen en ik hap naar adem wanneer mijn onderrug het obstakel ontmoet.
Het zijn Jack Clint, Thomas Blake en Fredrick Johnsson; alle drie jongens uit mijn klas, geen van drie fans van mijn bestaan op deze donkere aarde.
Aaron en Hannah Bidsy zijn niet hier, ze zijn kilometers verderop, inkopen aan het doen voor een nieuw interieur.
Hoewel het alleen zijn met hen mij beangstigd, ben ik blij dat Ammay nu bij haar andere vriendin Ginny is.
'Zoals ik al zei', zeg ik scherp, maar mijn stem trilt alsnog,' zijn we niet geopend.'
Zwijgend komen ze dichterbij en mijn hand glijd achter mij naar de snijplank, naar het broodmes.
Mijn vingers vinden het heft al als Jack - de duidelijke leider - mij met zijn spottende stem onderbreekt.
'Dat zou ik niet proberen.' zegt hij met koude stem.
En ik probeer het niet.
Ze lopen om de balie heen en er is niks wat ons nu nog uit elkaar houd, wat hem tegenhoud.
'Jullie mogen niet achter de...' begin ik, maar met sissende stem kapt hij mij af.
'Hoe je bek.'
Hij is nog maar een meter bij mij vandaan, zijn twee kameraden links en rechts achter hem.
Een halve meter.
Een centimeter of twintig.
Een sterke hand om mijn pols.
Ik durf niet te ademen en kijk hem recht aan.
Mijn angst ebt weg.
Deze man kan niet iets breken wat al gebroken is.
Deze man kan mij niet meer pijn doen dan mijn moeder, want hij kan Ammay geen pijn doen.
Ik snuif en hoewel ik omhoog moet kijken, kijk ik bijna op hem neer.
En wanneer hij een hand op mijn zij legt en mij met behulp van zijn lichaam tegen de koelkast drukt, komt alle paniek weer naar boven.
Hij is veel te dichtbij en mijn ademhaling is snel en gejaagd en bang.
Dan leunt hij naar mij toe en ik ben doodsbang dat hij mij zal kussen - ook al zou ik mijn god niet weten waarom hij dat zou willen - maar ik ben bevroren van angst en hoewel ik het zou willen, kan ik onmogelijk mijn gezicht afwenden.
Tot mijn grote genoegen is dat ook niet wat hij doet; op het laatst veranderd zijn mond koers, ook al voel ik alsnog zijn adem tegen mijn lippen.
Dan voel ik zijn woorden bij mijn oor.
'Ik denk dat jij mij heel graag honderd euro per week wilt geven.' zegt hij zacht en kippenvel verspreid zich eerst over mijn nek, helemaal naar de puntjes van mijn tenen.
'Zoveel heb ik niet.' stotter ik en de angst in mijn stem is zelden zo diep, zo oprecht.
Hij leunt weer naar achter en grijnst naar mij, maar zijn donkere ogen lachen niet mee.
'Ik weet zeker dat je er wel iets op v...' begint hij en nu is híj degene die onderbroken wordt.
Er komt nog iemand binnen.
Het is Evan.
En ik heb hem nog nooit zo woedend gezien.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen