Foto bij H.18.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ze loopt dreigend naar mij toe.
Iets langer, is ze, maar ik hoef niet echt omhoog te kijken om haar in haar ogen aan te kijken.
'Ik was dom', zegt ze,' niemand kan van jou houden. Niet echt.'
En nu ben ik het die haar vastgrijpt, haar tegen de muur duwt.
'Je liegt.' fluister ik en mijn stem trilt.
Ze trekt haar armen vrij en haar hand sluit zich opeens om mijn hals.
Ik schrik en probeer naar adem te happen, maar dat kan helemaal niet.
Ze buigt zich naar mij toe.
'Jij liegt.'

Het is Ammay die mij de volgende ochtend wekt
Ze werd wakker door de wekker en ik lag niet in bed, ik lag in de woonkamer, op dezelfde plek waar mijn moeder mij achtergelaten heeft.
Haar gezicht is bleek, bang en vertrekt nog erger als ze mij op de grond ziet liggen.
Mijn hoofd doet pijn, net aks mijn hals en een snee van mysterieuze afkomst siert mijn bovenarm.
Ik verzeker haar ervan dat alles oké is en begin ontbijt te maken.
'Wat is er gebeurd?' vraagt ze zachtjes.
'Mama gaat twee weken op vakantie', zeg ik droogjes,' en ze wilde nog even afgescheurd nemen.'
Ze zwijgt, ook al weet ik dat ze wilt huilen, net als ik zou willen doen.
Ik leg haar ontbijt op de tafel en ze gaat op een stoel zitten.
Heel lang is ze stil, totdat ze weer iets zegt, haar stem zachter dan ooit.
'Waarom heb je gisteren je haren geknipt?'
Automatisch gaat mijn hand naar de punten van mijn lokken, net iets lager dan mijn schouders.
Eerst was het tot mijn onderrug.
'Weet ik niet.' zeg ik.
Ik leg het niet uit, zeg niet dat ik het doe uit een vreemd gevoel van schuld omdat mijn moeder mij een drugsdeal heeft laten sluiten.
Wanneer ze verder spreekt, hoor ik de tranen in haar woorden.
'Het is nu even lang als dat van mama.' zegt ze met een kleine stem.
Heel lang ben ik stil.
'Je weet dat ik je nooit, nóóit pijn zal doen. Toch, Ammay?' zeg ik en mijn stem trilt.
'Dat weet ik.' zegt ze en gaat verder met ontbijten, alsof ze de angst weg kan slikken.
Ze kauwt op een broodkorst, maar ik heb niet zo'n honger meer.

Na een tijdje van overtuigen heb ik Ammay zo ver gekregen om thuis te blijven.
Mama is toch weg.
En mijn vermoeide zusje heeft rust nodig.
Bovendien weet ik niet hoe groot van een probleem de supermarkt waar ik werk het vind dat ik steeds mijn zusje op sleeptouw neem.
Na het ontbijt heb ik snel een verband om mijn arm gedaan en ben op weg gegaan.
Mijn gehavende arm doet zeer als ik de producten scan, maar ik let het noet maken, zelfs al let iemand op mij, zou het niemand hier kunnen schelen dat ik om de zoveel tijd mijn kaken op wolkaarde klem om de pijn te verbijten.
En dan is het pauze.
Een pauze, drie uur werken en naar huis.
Dat lukt mij toch nog wel?
Aangezien de ruimte voor de werknemers gisteren opnieuw geverfd is en ik zeker weet dat ik een beroerte krijg als ik nog langer in die lucht blijf zitten, loop ik naar buiten, naar het steegje naast de supermarkt, snakkend voor lucht.
Ik leun tegen de muur en sluit mijn terwijl ik mijn slapen masseer, hopend dat due bonkende hoofdpijn die op is komen dagen een toontje lager zal zingen.
Even denk ik dat het werkt, maar het is slechts een illusie: ik beeld mij in dat het minder word, terwijl - als ik mijn focus even verlies - het weer terugkomt.
Goed genoeg.
En dan open ik mijn ogen weer.
In mijn ooghoek zie ik een groepje mensen dichterbij komen.
Wat doen zij hier?
In plaats van weglopen, wat best handig zou zijn, blijf ik dom naar hen staren, met een sport slome schapenblik in mijn ogen.
En dan herken ik ze.
Annastasia, Miceal en George.
Er vliegt vanalles door mijn hoofd, maar er is maar één vaste, heldere gedachte: weg hier.
Maar dan roept Annastasia mijn naam.
Het is te laat.
Laten ze mij dan zelfs in de vakantie niet met rust?

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen