Foto bij Hoofdstuk 110; Hunter

In stilte keek hij naar Pan. Ze was er nog altijd niet helemaal bij. Hij kon het haar niet kwalijk nemen. Hij was geweest waar zij was geweest en hij voelde zich al slecht. Alsof alle energie en warmte hem ontnomen was.
Hij wierp een blik op zijn spiegelbeeld. De donkere kringen onder zijn ogen, de niets zeggende blik, de bleke, piekende haren. Hij herkende zichzelf nauwelijks. Hij keek op naar Pan. Ook zij had donkere kringen rond haar ogen en een nietszeggende blik. Haar huid was zo bleek als porselein. Ondanks haar verbleekte verschijning, was ze prachtig.
Met haar handen gooide ze water in haar gezicht. Hij keek toe. Het water druppelde van haar slanke vingers, het plakte op haar wimpers, stroomde over haar lippen. Hunter staarde er naar. Zijn wangen branden bij het terugdenken aan hun kus. Zijn vader zou hem vermoorden.
Ze keek op. Haar ogen kruiste de zijne en er verscheen weer een licht in haar ogen. Hij voelde zijn hart tekeer gaan. Het idee dat dat door hem kwam, maakte hem blij.
Zou dit zijn hoe Michael zich voelde, of misschien zelfs Apollo?
Ze liep naar hem toe, waarbij de onderkant van haar jurk door het water sleepte. Hunter haastte zich naar haar toe. Hij sloot zijn armen om haar heen, maar trok ze ook meteen terug.
‘Ehm-‘ Hij keek naar haar. Ze glimlachte naar hem. Hij slikte. ‘Pan,’ zei hij zacht. Ze legde een hand op zijn schouder. ‘Ik-‘ Ze ging op haar tenen staan en drukte zacht haar lippen tegen zijne. Ze zakte terug. Hij greep haar meteen vast, om te voorkomen dat ze dat deed. Hij trok haar dichterbij en liet zijn lippen hare leiden.
Het kostte hem opnieuw moeite om zijn lippen terug te trekken. Hij had altijd al geweten dat de kinderen van Apollo gevoelig waren voor Pan, maar hij had altijd gedacht dat het voor hem als broer en zus zou zijn, misschien goede vrienden. Nooit zoiets als dit.
Hij haalde diep adem. ‘Pan.’ Hij opende zijn ogen. Ze keek terug. Goden wat had ze mooie ogen. ‘Ik- Ik ben niet-‘ Hij keek naar haar. Hij kon het niet over zijn lippen krijgen. Het feit dat ze nog altijd dacht dat hij zijn vader was, was verwarrend, maar het was ook prettig. Hij had nooit gedacht dat hij zo over haar kon denken. Misschien was hij beïnvloed door- wat die plek dan ook was geweest. Hij nam voorzichtig haar gezicht tussen zijn handen. Hij zuchtte zacht en legde zijn voorhoofd tegen het hare. Hij voelde haar lichaam ontspannen. Hij drukte een kus op haar voorhoofd en liet haar toen los. Ze keek hem met zo veel liefde aan, dat hij direct spijt had.

Hij schraapte zijn keel. ‘Dus. Waar zijn we precies?’ Hij keek rond. Ze volgde zijn voorbeeld.
‘Geen idee,’ antwoordde ze.
‘Oh.’ Dat was onhandig.
‘Maar als je wilt, kan ik ons hier vandaan halen.’ Hij keek naar haar. ‘Niet naar Olympus, want ik geloof dat-‘ Ze fronste. ‘Ik- Ehm-‘ Ze knipperde een paar keer met haar ogen. ‘Er was een reden waarom ik Apollo niet mee naar Olympus kon nemen.’ Ze leek het meer tegen zichzelf te hebben dan tegen hem.
‘We hoeven niet naar Olympus. Waarom gaan we niet naar…’ Hunter dacht na. ‘Mount Holmes!’ Hij was er vrij zeker van dat De Wacht daar heen zou gaan.
‘Mount Holmes?’ herhaalde Pan verrast.
‘Ja. Laten we naar Mount Holmes.’
‘Oké.’ Ze haalde haar schouders op.
‘Maar,’ zei hij snel, ‘we kunnen niet schaduwreizen.’
‘Oh. Ja.’ Ze fronste verward, alsof ze ergens begreep waarom, maar ze het niet helemaal naar boven kon halen. ‘We willen niet terug naar-‘ Ze stopte zichzelf weer en keek Hunter fronsend aan. ‘Ik- Heb wat problemen met-‘ Ze sloot haar ogen en leek het van zich af te schudden.
Toen ze ze weer opende, leek ze totaal te zijn vergeten wat ze had willen zeggen. ‘Breng jij ons naar Mount Holmes Apollo?’
Hunter slikte. Hij moest het zeggen. Hoe kon hij anders verklaren dat hij geen goddelijke krachten had? ‘Pan. Ik ben niet-‘ Hij voelde zijn kaakspieren samentrekken. ‘Apollo.’
Ze keek hem fronsend aan. ‘Natuurlijk. Je bent-‘ Ze staarde hem aan. Haar mond ging open en dicht. De frons op haar gezicht werd dieper, ze liet haar hoofd hangen en haar ogen schoten heen en weer, alsof ze wanhopig zocht naar iets.
Hij pakte haar vast. ‘Pan. Kijk naar me.’ Ze keek op, duidelijk verward. ‘Laten we voor nu zeggen dat ik Apollo ben. Als dat je helpt?’ Ze knikte zwakjes. Wat er ook met haar was, ze kon dit er nu niet bij hebben. ‘Voor nu,’ zei hij zachtjes.

Uiteindelijk reisde Pan en Hunter op de rug van een paard. Pan had er een tevoorschijn getoverd alsof het niets was. Wel, niet niets, want Hunter vond dat ze nadien een beetje onstabiel stond. Ze zat voor hem, haar rug tegen zijn borst gedrukt. Hij had één arm om haar heen geslagen, om te voorkomen dat ze zou vallen. Hunter hoefde niet veel te doen, het paard leek te weten waar hij heen moest. Hij had geen idee hoe ver het reizen was, hoe zwaar het ging worden, of de anderen er nog waren. Hij kon niet zeggen dat hij wist hoe lang ze weg waren geweest. Hij vermoedde lang. Het voelde lang aan. Het voelde alsof hij weken met Pan had vast gezeten.
Haar hoofd knikkebolde. Hij keek even naar haar. Haar ogen waren gesloten. Ze zag er vredig uit zo. Hij voelde zijn hart in zijn keel. Waarom moest hij nou weer verliefd worden op haar?
Zijn vader zou hem vermoorden…

Toen Pan wakker werd, was de zon al onder. Ze wreef in haar ogen en keek hem aan. Haar lippen bewogen, maar ze leek niet uit te kunnen brengen wat ze wilde.
‘Wat is het Pan?’
Ze schudde haar hoofd lichtjes. ‘Niets, het gaat.’
‘Oké,’ zei hij zacht. Hij streek zacht door haar haar, vlak voor ze haar hoofd weer tegen zijn borst legde. ‘Heb je al ideeën voor de bruiloft?’ vroeg hij. Hij hoopte dat praten haar zo veel mogelijk op haar gemak zou stellen.
Ze glimlachte direct. ‘Oh absoluut.’ Ze draaide zich bij en gaf hem een kus. ‘Niet te overdreven. Ik weet dat je dat leuk vindt, maar ik wil gewoon, simpel. Vrienden, familie, jij in een pak, ik in een jurk.’
‘Hoe ziet je jurk er uit?’ vroeg Hunter.
Ze lachte. ‘Dat weet je al. Je hebt hem al gezien.’
‘Echt? Wanneer?’
‘Bij de bruiloft, gekkie.’ Ze keek hem verward aan.
‘De bruiloft. Die moet nog komen.’ Ze was duidelijk in de war. Misschien was het het hele tijd-ding. Hij wist dat er iets gezegd was over Pan die als cadeau van Apollo een eigen verhaal in de oudheid had gekregen. Misschien zag ze ook al delen van de toekomst.
‘Natuurlijk niet.’ Ze keek hem aan, duidelijk verward.
‘Pan. De bruiloft is nog niet geweest.’
Ze keek hem onderzoekend aan. Ze draaide zich terug naar voren.

Hunter wist niet hoe lang Pan stil bleef, maar toen ze sprak, was het als een klap in zijn gezicht.
‘Je bent niet Apollo.’ Ze sprak zacht. Niet koud, maar ook niet zo warm als hij van haar gewend was. Ze keek over haar schouder naar hem. ‘Je bent hem niet.’
‘Nee,’ fluisterde Hunter. Het voelde pijnlijk om dat toe te geven.
‘Je hebt geprobeerd het te vertellen,’ stelde ze haast vast.
‘Ja,’ zei Hunter zacht.
‘Ik ken je wel,’ zei ze. Ze keek hem aan. Hij knikte. ‘Waarom kan ik je niet plaatsen?’
‘Weet je de plek nog, waar we eerder waren? Met het donker en de kou?’ Pan knikte. ‘Het heeft je in de war gemaakt. Ik denk dat het te maken heeft met het schaduwreizen. Maar- hoe het precies zit weet ik niet.’
‘Wie ben je? Wat ben je van me?’ vroeg ze.
‘Hunter. Ik ben een zoon van Apollo, een lid van je Wacht.’
Ze knikte, duidelijk in gedachten. ‘Waarom blijft mijn hoofd me zeggen dat je Apollo bent?’
‘Omdat-‘ Hij slikte. ‘Ik me als hem heb voorgedaan. In die- Laten we het schaduwwereld noemen.’ Hij keek naar haar. ‘Er waren stemmen. Mijn vaders stem, onder andere. Toen ik zijn naam zei- Het was het enige wat je herkende. Toen je dacht dat ik hem was, leefde je op. Het moment dat ik zei dat ik het niet was, was je er niet meer. Fysiek wel, maar geestelijk…’
‘Dus je besloot hem te zijn?’
‘Voor het moment, ja.’
‘Hielp het?’
‘Het bracht ons terug naar hier. Naar- Aarde.’
Pan haalde diep adem. Ze keek voor hen uit. ‘Sorry,’ zei Hunter zacht.
‘Je deed wat je dacht dat nodig was.’ Ze keek hem kort aan.
‘Ja,’ stemde hij in. Hij vertelde maar niet dat hij verleid was door haar. ‘Wat deed je beseffen dat ik niet hem was?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Het is iets wat ik niet kan vertellen,’ zei ze zacht.
‘Als het iets is wat geheim moet blijven, ben ik te vertrouwen. Je kunt me alles vertellen wat je wilt,’ bood hij haar aan.
‘Weet ik. Ik weet niet waarom, maar ik weet dat je geheimen kunt houden.’ Ze keek hem aan.
‘Als je er over wilt praten?’ Pan leek nog altijd enigszins verward. Misschien deed het haar goed om te praten over wat er in haar om ging.
Ze haalde diep adem. Hij zag het, maar hoorde het niet. ‘Ik ben al getrouwd.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen