Foto bij Hoofdstuk 111; Michael.

Toen hij wakker werd, was alles donker. Hij rook de geur van brandend hout, een kampvuur. Hij duwde zichzelf overeind. Zijn hoofd bonsde en hij had moeite om te focussen.
‘Michael.’ De zachte, warme stem van Malika deed hem rondkijken. Het was dat ze dichterbij kwam, anders had hij niet geweten waar ze was. Haar ogen waren rood en ze zag er nerveus uit. ‘Het spijt me zo Michael.’ Ze sloeg zo plots haar armen om zijn hals, dat hij moeite had om recht te blijven zitten.
Ze liet hem los toen er voetstappen naderde. ‘Malika, kun je ons even geven?’ Malika knikte. Ze wierp nog een blik op hem, voor ze opstond en weg liep. Ze had medelevend gekeken. Waarom?
Michael wreef over de pijnlijke plek op zijn achterhoofd. Daarmee kwam de herinnering naar boven, hoe Sarah hem geslagen had.

‘Ga maar alvast. Ik ben er zo,’ beloofde Rose.
Hij knikte. ‘Schiet wel op.’ Hij wierp een blik op de naderende orkaan. Het was nu zo dichtbij dat hij zelfs moeite had om te ademen.
‘Ik ben er voor je het weet.’ Ze pakte zijn hand en gaf er een zacht kneepje in. Hij glimlachte en begon te lopen. Voor hem, een paar meter verderop, liep Altair. Vlak daarvoor zijn zus. Tussen haar en Kimberly, die voor haar liep, zat wel flink wat meters. Helio en Daniël hadden net Liza bereikt, die hen door naar binnen verwees. Myra was nergens meer te bekennen.
Een bliksemschicht deed een moment lang alles verdwijnen. Een donderklap, vlak erop. Het duurde nog tien seconde voor het proces herhaald werd. De grond begon te trillen. Michael fronste en draaide zich om, om te controleren of Rose achter hem liep. Dat deed ze. Het scheelde minstens twintig meter, maar ze was onderweg. Ze liep vreemd, met haar mantel om haar lichaam geklemd. Ze keek op naar hem en glimlachte. Nog een harde knal, de grond trilde heviger. Hij glimlachte terug. Ze hadden het, ondanks alles, toch gered. Een kei belandde een meter naast Rose. Ze keken er geschrokken naar, alsof het een vogel was die zomaar uit de lucht kwam vallen. Als een stortregen volgde de rest. Rotsblokken zo groot als auto’s.
‘Rose!’ Ze keek hem met grote ogen aan. Hij probeerde terug te rennen, maar de tegendruk was te groot om snelheid te maken. In een paar seconden was ze verdwenen. Bedolven onder een hoop rotsen, die nog altijd bleven vallen.
‘Rose!’ Misschien had ze zich omgedraaid. Misschien stond ze aan de andere kant. Plots werd hij vast gegrepen. ‘Laat me los!’ Hij schopte, niet wetend wie hem tegenhield. ‘Rose!’
‘Het is te laat Michael. We moeten gaan.’
‘Rose.’ Hij vocht met al zijn kracht.
‘Ze zou willen dat je jezelf in veiligheid bracht.’ Wat een onzin! Hij ging haar echt niet achterlaten. Zij zou hem ook niet achterlaten.
‘Nee!’ riep hij terug.
‘Michael, luister naar hem,’ riep Sarah.
‘Nee!’ riep hij weer. ‘Rose!’ Hij voelde een harde klap tegen zijn achterhoofd.
Alles werd zwart.


‘Rose.’ Michael sprong op. Hij viel bijna direct neer. Het was dat hij vastgegrepen werd.
‘Michael.’ Het was Alathea. Ze hield hem stevig vast.
‘Waar is ze? Is ze oké?’
‘Michael,’ herhaalde ze. ‘Michael, luister naar me.’
‘Zeg me dat ze oké is,’ zei hij zacht. Hij herinnerde zich hoe ze naar hem had aangekeken, toen hij haar had vastgegrepen. Ze was uitgegleden, te druk bezig met de mensen om haar heen. Haar ogen waren zo groot geweest. Hij had altijd gedacht dat zijn vader hem beïnvloedde, dat hij niet meer normaal naar Rose kon kijken. Ze was zo onschuldig geweest dat hij niets anders had kunnen doen dan glimlachen. ‘Zeg me dat ze oké is,’ smeekte hij haast. Hij keek op naar Alathea. Ze zag er moe uit, gebroken haast. Ze schudde lichtjes haar hoofd. ‘Nee.’ Michael voelde zijn voeten onder zich weg zakken, maar Alathea had hem zo stevig vast, dat hij niet neerviel.
‘Het spijt me Michael,’ fluisterde ze. ‘We hebben gezocht. We hebben dagen gezocht.’ Hij zag tranen in haar ogen, maar ze blinkte ze weg. ‘Het spijt me.’
Zijn gewicht moest haar te veel worden, want ze liet hem langzaam op de grond zakken. Ze zakte naast hem neer. ‘Het spijt me,’ zei ze weer. Hij hoorde het nauwelijks meer.

‘Michael?’
Michael zat op de koude, harde grond. Zijn lichaam ineengekrompen. Hij wilde niet meer bewegen. Hij wist niet eens of hij dat nog wel kon. Zijn lichaam voelde zwaar en koud.
‘Michael.’ Het horen van haar stem deed hem pijn. Geestelijk en fysiek. Een paar vingers raakte zacht zijn wangen. Ze verdwenen kort, maar kwamen toen weer terug. Ze tilde zijn gezicht op. ‘Michael, kijk alsjeblieft naar me.’ Hij luisterde met moeite. Hij wilde niet naar haar kijken.
Ze had tranen in haar ogen, die er rood van waren. Ze zag bleek en moe. Ze leek zo sterk op haar.
‘Ik mis haar ook,’ zei Martha. Haar lippen trilde. ‘Ik kan niet- Ik-‘ Ze schoof naast hem en kroop tegen hem aan. Hij liet het toe, zelfs al had hij er geen zin in. Hij had nergens zin in. Hij wilde met rust worden gelaten.

‘Michael.’
Nee. Hij wilde niet. Hij wilde zijn ogen niet openen. Hij wilde hier blijven zitten. Hij wilde weg rotten in zijn verdriet.
‘Michael, we moeten verder,’ zei Alathea zacht. Hij hield zijn ogen gesloten.
‘Oh ga aan de kant,’ snauwde Sarah. Haar stem gaf hem kippenvel en niet op de goede manier. ‘Sta op. We rouwen allemaal om h-‘
‘Jij rouwt nergens om. Jij mist niemand,’ fluisterde Michael. Hij wilde haar de mond snoeren, haar de grond in trappen. Dat ze durfde te beweren dat ze wist wat hij voelde.
Een hand greep zijn bovenarm en kneep, hard. Hij opende zijn ogen, om recht in die van zijn zus te kijken. ‘Ik weet dat je denkt dat ik een harteloos monster ben, maar geloof het of niet, er is een handvol mensen waar ik om geef. Nou, herpak je zielige zelf en leid ons,’ siste ze hem toe.
Hij keek haar aan.
‘Sarah, je kunt niet verwachten dat dat-‘
‘Hij heeft een harde hand nodig.‘
‘Hij is net-‘ Alathea stopte zichzelf.
‘Ik weet wat ze van elkaar waren,’ zei Sarah. ‘Dat betekend niet dat we hem hier kunnen achterlaten.’ Ze gaf een schop tegen zijn voet. ‘Yew, haal die kont van de grond en bewegen jij!’ snauwde ze hem toe. ‘We nemen je weg van hier, of je het nou wilt of niet.’
‘Sarah!’ klonk een geschrokken stem.
‘Oh stel je niet aan.’ Ze greep opnieuw zijn arm, dit keer om hem overeind te trekken. Michael liet het maar gebeuren. Hij had moeite om te blijven staan, maar hij deed het wel.
Hij haalde diep adem. ‘Ik ben nog niet klaar,’ zei hij zacht. Hij keek op, naar Sarah en Alathea. Achter hen, een meter of tien verderop, was de rest van De Wacht. Martha ook, ze had een dag bij hem gezeten, voor ze terug was gegaan naar Liza. ‘Ik moet-‘ Hij slikte. ‘Waar is de uitgang?’
Sarah en Alathea keken elkaar aan, verward. ‘Ik breng je er heen,’ zei Sarah. Hij had liever dat Alathea het deed, maar hij had geen zin om te protesteren.

Lopen ging vermoeiend. Zijn spieren voelden stijf en zijn gewrichten kraakte.
Het licht deed pijn aan zijn ogen. Hij sloeg ze neer en volgde Sarah op gevoel naar buiten. Daar bleef hij even staan, om zijn ogen te laten wennen.
‘Jezus, je ziet er nog erger uit in het licht,’ hoorde hij Sarah mopperen.
Hij ging er niet op in. Waarom zou hij?
In de verte lag een berg rotsen. Het was zo hoog, dat het onmogelijk was eroverheen te klimmen. Er lagen een aantal rotsen aan de zijkant, alsof ze verplaatst waren.
Michael liep er naar toe. Er was geen wind, totaal niets, alsof de windgoden ook om haar rouwde. Niet dat ze dat deden. Zij waren degene die dit veroorzaakt hadden.
Michael begon de rotsen te beklimmen. Het ging stroef, hij gleed een paar keer weg, maar hij bleef doorgaan.
Bovenaan werd het moeilijker. De rotsen waren niet zo geplaatst dat je er makkelijk overheen kon, dat klimmen je goed af zou gaan. Hij zou dus niet over de top kunnen klimmen, kijken ging niet eens. Hij keek rond en zocht een plek op waar zijn voeten genoeg steun hadden. Daarna begon hij te duwen. Zijn spieren brandde van de pijn, maar hij negeerde het. Hij bleef duwen, tot een groepje rotsen los raakte en aan de andere kant naar beneden rolde. Hij begon op de volgende rotsen te duwen.
‘Wat ben je in vredesnaam aan het doen?’ riep Sarah hem toe. Hij ging stug door. De rotsblok verschoof een stuk omhoog. Blijkbaar moest hij eerst omhoog, voor hij kon vallen. ‘Yew? Michael!’
Michael kreunde onder de druk. De rotsblok verschoof hoger en hoger en viel toen naar beneden.
Michael haalde zwaar adem en begon aan de volgende. Hij wist dat deze haast onmogelijk was, hij was zo groot als een stoel, maar dat kon hem niets schelen.
‘O voor-‘
‘Wat is hij aan het doen?’
‘Wat denk je dat hij doet?’ snauwde Sarah. ‘Wat- Wat ga jij doen?’
‘Wat denk je? Ik ga hem helpen.’

Het duurde niet lang voor Myra naast hem stond. ‘Een stukje opzei,’ zei ze zacht. Hij deed wat ze zei, zonder iets te zeggen. Samen begonnen ze tegen de rots te duwen.
Martha verscheen plots naast hem, net als Liza. Ze gaven hem een zwak knikje. Ze zagen er ziekjes uit: bleek, rode ringen om hun ogen, rode neus.
Ze verschoven allemaal, om te zorgen dat ze met z’n alle tegen de rots konden duwen.
Er kwam, beetje bij beetje, beweging in de rots. Hij hoorde iedereen kreunen onder de druk. Hij voelde zelf de pijn niet eens meer.
De rots viel plots weg en nam flink wat andere mee in zijn val naar beneden. Het gebonk was oorverdovend.
De andere kant van de rotsenberg werd zichtbaar. Er was niemand. Als ze al hoop hadden gehad dat Rose nog zou leven, had ze daar moeten zitten.
Michael ging verder met het weg duwen van de rotsen. De Wacht had al geprobeerd om een aantal aan de kant te doen, maar het was zwaar werk.
Hij wist dat, als ze hier onder lag, ze onmogelijk nog zou leven. De kracht van de rotsen zou haar totaal gebroken hebben. Toch moest hij haar lichaam vinden. Hij moest haar zien. Alleen dan kon hij geloven dat ze er niet meer was.
‘Wat zijn ze aan het doen?’
‘Rotsen er af duwen,’ antwoordde Sarah.
‘Ze weten toch dat dat geen zin heeft? Ze heeft dit heus niet overleefd,’ zei Jennifer.
‘Dat weten ze,’ zei Alathea.
Hij hoorde gerommel van achter hem. Waarschijnlijk Alathea, die hen kwam zeggen hun energie te sparen. Niet dat dat zou helpen. Hij zou doorgaan tot elke rots verplaatst was. Al zou het hem weken kosten.
Alathea kwam boven, lichtelijk buiten adem. Ze had een dikke stok in haar armen, met een afgeslepen uiteinde. ‘Altair?’ ze keek over haar schouder. Altair, die blijkbaar achter haar omhoog was gekomen, nam de stok aan. Hij wrikte hem onder een rots.
‘Hier,’ Austin gaf Alathea een andere stok, nog dikker dan degene die Altair vast hield. Hij hield er nog een vast. Zowel Alathea als Austin begonnen hun stokken ook onder de rots te wrikken. Vervolgens begonnen ze tegelijkertijd de andere uiteindes naar beneden te duwen. De rots werd zo omhoog geduwd. Michael liep naar hen toe en begon tegen de rots te duwen, die over het randje kantelde en naar beneden viel.
Hij wierp een blik op Alathea. Die gaf hem een knik. ‘Je hebt gelijk. We laten niemand achter. Levend of dood.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen