Foto bij Hoofdstuk 112; Rose.

Het moment dat de eerste rotsen vielen, wist ze dat ze geen kant op kon. Terug was geen optie, de wind zou haar tegenhouden. Vooruit zou betekenen dat ze zou vallen. Ze keek met grote ogen naar Michael, die er als versteend bij stond.
‘Michael!’ riep ze. ‘Ik hou van je!’ Ze riep zo hard ze kon, maar of hij het kon horen wist ze niet. Het geluid van de rotsen was genadeloos hard. Ze wist dat haar einde er aan zou komen. De rotsen voor haar ontnamen haar het zicht. Ze haalde haar armen van haar romp, liet haar mantel los waaien. Thespian, zo klein als een chihuahua, zat tegen haar aangeklemd. ‘Thesp, ga.’ Hij keek haar aan met zijn grote ogen. Even schoot zijn tong naar buiten en maakte de bekende, golvende beweging. Hij sprong van haar af, op een rotsblok die op haar voet belande. Ze gilde het uit van de pijn. Niet dat er iemand was om het te horen.
Thespian maakte een klagerig geluidje. Hij keek haar aan, alsof hij niet wist wat hij moest doen. De tranen stonden haar in de ogen. ‘Ga!’ gilde ze hem toe. Ze wist niet of het door de immense pijn kwam, of door de haast.
Hij sprong op en ontweek nog een rotsblok, een die van de berg af rolde en haar tegen de grond drukte. Het gewicht drukte het lucht uit haar longen.
Thespian kwam opnieuw terug. Hij zat bij haar hoofd en krijste naar haar. Ze voelde de pijn langzaam weg trekken en de tranen over haar wangen stromen. ‘Vlucht,’ bracht ze moeizaam uit. Het kostte haar alle kracht die ze zich nog kon opbrengen.
Hij bracht zijn hoofd naar het hare en drukte zijn warme snuit tegen haar wang.
Vermoeid sloot ze haar ogen.
Geen pijn. Goden zij dank. Geen pijn.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen