Foto bij Hoofdstuk 113; Michael

Michael zat op zijn knieën tussen het puin. Haar hoofd lag op zijn schoot. Ze voelde koud aan, maar haar lichaam was niet hard. Haar ogen waren gesloten. Ze had een lelijke kras op haar gezicht en een heleboel puin. De rest van haar was er erger aan toe. Het bot in haar arm stak door haar huid. Haar voet was raar geplet, haar lichaam in vreemde hoeken. Het deed hem pijn om haar zo te zien.
De tranen stroomde over zijn wangen, op haar gezicht.
Martha en Liza waren weg. Ze hadden nauwelijks naar hun zus kunnen kijken. Het was nu een feit. Ze was dood. Ze was dood en er was niets aan te veranderen.
Hij voelde Alathea’s hand op zijn schouder en schudde hem af. De Wacht stond om hem heen. Hij wou dat ze allemaal weg gingen. Dat ze hem allemaal met rust late.
‘Ik zei toch dat het niet verstandig was,’ fluisterde Sarah.
‘Hij had afsluiting nodig. Als we haar niet hadden gevonden, had hij het zichzelf altijd kwalijk genomen,’ antwoordde Alathea. Ze klonk boos.
‘Dit noem ik geen afsluiting. Dit noem ik marteling. Hij had haar beter kunnen herinneren zoals ze was. Dit…’
Michael sloot zichzelf af van de geluiden om zich heen. Hij trok Rose dichter tegen zich aan. Haar lange, blonde haar bleef in zijn vingers haken. Hij streek voorzichtig de klitten er uit. Elke keer als hij met zijn hand door haar haar streek, voelde hij de kuilen die de rotsblokken hadden achtergelaten.
‘Waren het nou maar littekens geweest,’ fluisterde hij huilend. Hij drukte zijn voorhoofd tegen het hare. ‘Dan had je er grappen over gemaakt. Dan had je ze vergeleken met de mijne.’ Hij glimlachte door zijn tranen heen, bij het idee hoe ze hem belachelijk zou hebben gemaakt om zijn littekens. Ze zou altijd positief kunnen blijven, want ze had erger overleefd.
De glimlach gleed van zijn gezicht, puur door de pijn van die gedachte. Want ze had het niet overleefd, dat was het probleem.

Voorzichtig legde Michael haar neer. Ze hadden een mooie boom in de omgeving gezocht. Een met rode bladeren. Ze hadden geen tijd om haar te begraven. Hij wilde haar een waardig afscheid geven. Ze hadden haar omgekleed, haar haar gedaan, haar in haar mantel gewikkeld en haar pijl en boog op haar lichaam gelegd.
Kijken naar haar deed pijn, meer dan hij zich ooit had kunnen voorstellen.
Hij stond bij haar voeten, keek naar haar gezicht. Ze hadden haar zo goed mogelijk schoongemaakt en al het bloed van haar af gepoetst. Ze zag er mooi uit. Ze zag er altijd mooi uit.
‘Ik wou dat we iets hadden. Bloemen ofzo,’ zei Jennifer zacht.
‘Bloemen voegen niets toe,’ zei Liza. ‘Ze is dood. Ze doet er niets mee.’ Ze hield Martha’s hand vast. Martha deed duidelijk haar best om niet te huilen.
‘We offeren haar aan onze goden,’ zei Martha zacht. ‘Aan Pan en onze vader.’ De goden verdiende haar niet. Martha veegde een traan weg, maar de volgende kwam al.
‘Vader, breng haar thuis,’ zei Liza. Ze klonk alsof ze moeite had om het uit te spreken.
Er viel een stilte. Een die minuten aanhield.
‘Rose,’ begon Alathea. ‘Je was een waardig leidster. Een waardig tegenstander en een waardig bondgenoot. Je leidde met eer en bracht ons verder dan we ooit hadden kunnen dromen. Mogen onze vrouwe je een waardig tweede leven geven.’ Ze legde haar hand op het symbool van de twee draken. Pan’s symbool.
‘Tot in een volgend leven. U heeft waardig gestreden,’ zei Altair. Hij boog lichtjes zijn hoofd. Alathea volgde, Gemises, Taya, langzaam steeds meer van de oude Wacht en uiteindelijk ook zijn Wacht. Michael keek naar hoe iedereen met gebogen hoofd hun laatste eerbetoon gaf.
Hij sloot zijn ogen en boog ook zijn hoofd. ‘Tot in een volgend leven,’ fluisterde hij.

‘Ik denk dat het beter is als jij voorlopig de leiding neemt,’ zei Michael zacht.
‘Ik ben niet hun leider.’
‘Net zo min als ik dat ben,’ zei Michael.
Alathea legde haar hand op zijn schouder. ‘Je bent altijd hun leider geweest. Zelfs voor dat deel dat je nauwelijks kent.’ Michael keek haar vragend aan. Hij had nu geen zin in raadsels. ‘Rose heeft veel over je verteld. En als Rose niet over je sprak, dan was het Liza, Martha, Austin of Jessica. Ze spraken vol lof over je. Rose was onze leidster, maar door haar, jij ook.’
Michael keek naar haar. ‘Ik kan het niet,’ zei hij zacht. Het deed hem alleen maar meer pijn om te weten dat Rose altijd zo over hem is blijven praten.
‘Ze vertrouwd je. Wij allemaal,’ zei Alathea. ‘Als je zeker weet dat je nog niet klaar bent om te leiden, neem ik dit op me.’ Michael knikte. ‘Tot je klaar bent.’

Gezamenlijk liepen ze door het labyrint. Ze hadden het uiteinde vast gebonden, zodat ze altijd hun weg terug konden vinden.
Michael slofte achteraan, Myra naast hem. Hij wist dat ze iets wilde zeggen. Iets wat hem zogenaamd beter zou moeten laten voelen. Maar ze zei niets. Niemand zei iets.

Bij een uitgedroogde fontein hielden ze halt. Ze namen plaats en aten lunch.
Michael hield zijn afstand. Hij wilde niet aangesproken worden. Hij had geen behoefte aan praten of mensen. Hij nam een paar slokken water en stak zijn waterzak weer weg. Hij staarde naar de versiering van de fontein. Er waren figuren in het steen geboetseerd. Nimfen, saters en natuur. Pan zou dit mooi vinden, dat wist hij zeker. Was ze maar hier. Misschien had ze Rose kunnen redden.
Michael sloot zijn ogen en liet zijn hoofd tegen de muur leunen.

Michael.’ Een zachte fluistering deed hem zijn ogen openen. Hij had verwacht iemand voor hem te zien, maar iedereen zat nog exact op dezelfde plek. Hij liet zijn ogen rond dwalen. Zijn ogen bleven hangen op een muurtekening. Hij stond op en liep er op af.
De tekening was van Pan en Apollo. Ze baden in licht. Om hen heen was niets dan natuur en dieren. Wezens van alle soorten.
Michael.’ Klonk de fluistering weer. Michael keek even om. Niemand anders leek het te horen. Hij draaide zich terug naar de muurschildering. Hij liet zijn vingers over de schilderij strijken. De details waren ongelofelijk. De manier waarop de zonnestralen over gingen in de lucht, hoe het gras en de blaadjes leken te bewegen. Zelfs Apollo en Pan waren in perfecte detail gedaan. Hij verplaatste wat, om te kijken naar de twee draken, die vissen uit een meer aan het halen waren.
‘Auw!’ Hij trok geschrokken zijn hand terug. Een aantal Wachters keken op. Hij keek naar zijn middelvinger, waar een druppel bloed aan plakte. Hij keek naar de plek waar zijn hand had gelegen. Hij had hem net over Pan laten glijden, terwijl hij langs de muur was gelopen.
Michael fronste. Pan was veranderd. Apollo ook. In plaats van naar elkaar, keken ze recht vooruit, alsof ze naar hem keken. Ze hielden elkaars hand vast en glimlachte. Het meest opvallende echter, was dat Pan een rode roos in haar handen hield.
‘Wat wil je me vertellen?’ fluisterde hij. ‘Dat dit een droom is?’ Hij keek naar Pan en zijn vader. Hij wist dat hij over kwam als een gek. Je moest wel gestoord zijn om tegen een schilderij te gaan praten. Michael zette een stap naar achter, om het groter geheel te bekijken.
Michael.’
Michael draaide zich met een ruk om en begon te lopen.
‘Michael?’ Hij was de gang al in gelopen, nog voor iemand hem kon tegenhouden.

Met het draad in zijn hand, volgde hij de weg terug. Hij wist dat het enne uiteinde naar de uitgang leidde en het andere nog bij Alathea was, hij zou dus altijd zijn weg terug kunnen vinden.
Hij liep snel, zo snel dat hij een paar keer door zijn enkel ging.
Hij stapte door de uitgang en bleef lopen. Het licht verblindde hem, maar hij ging stug door.
Toen zijn ogen gewend waren, was hij al halverwege. Hij ging de berg af, tot de voet ervan. Liep een deel om de berg, tot hij de boom zag. De boom met de rode bladeren.
Voor een moment lang kon hij zweren dat er iemand onder zat. Toen hij dichterbij kwam zag hij dat, precies op de plek waar Rose had gelegen, druifranken gegroeid waren.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen