Nul.
      Met mijn hart in mijn keel zet ik me af, op exact hetzelfde moment dat de gong klinkt. Het scherpe geluid geeft mijn voeten vleugels, terwijl ik haast door mijn knieën zak van opluchting, omdat de grond niet onder mijn voeten explodeert.
      Zo hard ik kan spurt ik naar voren, mijn ogen gericht op het grote zilveren geval voor me. In mijn ooghoeken zijn de andere tributen ook allemaal in beweging gekomen. Sommigen rennen van de Hoorn vandaan, mijn gezichtsveld uit. Anderen doen een poging me in te halen.
      De adrenaline giert door mijn lichaam, als ik haast slippend in de Hoorn tot stilstand kom. Er glijdt een vlug grijnsje over mijn gezicht als ik merk dat ik er als eerste ben, terwijl ik vlug om me heen kijk. Mijn hartslag dreunt na in mijn oren, als een constante reminder dat ik moet opschieten. Een duivelse grijns valt over mijn gezicht als ik de wapens helemaal in het uiteinde van de Hoorn opmerk. Een vlugge blik over mijn schouder. Niemand dichtbij genoeg om gevaarlijk te zijn. Hoewel al het goede spul hier ligt, lijkt het alsof niemand hier werkelijk durft te komen. Meer voor mij. De spelmakers stellen me niet teleur; een stuk of acht zwaarden liggen me toe te grijnzen, waarvan ik er gelijk eentje van de wand af gris, zodat ik me meteen kan verdedigen als nodig. In de verte klinkt er een gil.
      Met mijn linkerhand trek ik nog een ander zwaard, deze keer in de schede, van zijn houder af. Vluchtig bekijk ik mijn winst. De riem van de grijze schede hoort over je schouder te gaan, te zien aan het model, bedoeld om het ranke wapen te dragen zodat het achter je rug omhoog steekt. Het past niet, ontdek ik, als ik de riem over mijn schouder gooi. De band is eigenlijk net iets te groot, maar ik heb geen tijd om het bij te stellen. Het pakken van de twee wapens heeft minder dan drie seconden in beslag genomen.
      Een grote schaduw valt de Hoorn binnen.
      Met een ruk draai ik me om, klaar om weg te duiken.
      In de opening van de Hoorn is een andere tribuut verschenen. Haar aanwezigheid lijkt de hele opening te vullen, terwijl ze me voor een seconde dreigend aanstaart. Ze lijkt niet eens verrast me hier te vinden. Heel even staat ze er in stilte, voor ze grijnst en brullend op me afstormt. Ik zou het nooit achter haar hebben gezocht, een moordmachine uit een waardeloos district. Ze heeft niet eens wapens. Maar ik wel.
      Met een onbewogen gezicht steek ik op het laatste moment mijn zwaard naar voren, waarna er een zware schok door mijn zwaardarm gaat. Ze is ten dode opgeschreven. Het meisje kijkt even verbaast naar het wapen dat zich onder haar sleutelbeen bevindt, terwijl ze haar armen krachteloos laat vallen. Koeltjes kijk ik haar aan. Onbewogen trek ik het dodelijke wapen terug en kijk toe als ze op de grond ineenzakt. Ze was niet eens half een bedreiging geweest. Onderwijl knalt er iets, of iemand, met een harde klap tegen de buitenkant van de Hoorn. Van schrik laat ik mijn wapen bijna vallen, wat niets voor mij is. Wegwezen hier, Aderyn. Het gevecht is allang begonnen en ik heb nog maar kort de tijd om zonder problemen te kunnen krijgen wat ik wil.
      Het oranje shirt van het beestachtige meisje wordt binnen enkele seconden ontsiert door een steeds groter wordende donkerrode vlek. Mij gaat het niet snel genoeg. Ze klauwt er zwakjes naar, met een door pijn vertrokken gezicht. Zwaarden. Rugtas met voedsel. Focussen, Aderyn. Ze sputtert nog iets, waarna ze niet meer beweegt. Er lopen wat druppels bloed over de vloer. Gevolgd door meer. En nog meer. Opzettelijk mijd ik het aanzien van de plas bloed die zich om het meisje heen vormt. In de opening van de Hoorn zie ik ondertussen Naeve verschijnen, die snel twee messen van de wal grist. Ze kijkt me even kort aan en sist dat ik moet opschieten. Ik knik gehaast naar haar, terwijl mijn ogen heen en weer schieten van mijn teamgenoot, de stervende tribuut aan mijn voeten en mogelijke spullen die handig zouden kunnen zijn. Het meisje beweegt niet meer, maar ik verlies haar geen moment uit het oog. Begraaf mensen niet voordat ze zeker weet dat ze dood zijn.
      Als mijn ogen door de Hoorn schieten, valt mijn blik op de donkergroene rugtas. Precies wat ik nodig heb. Een snelle blik op het meisje. Nog steeds geen beweging. Alle voorzichtigheid laten varend, gris ik ook een gevulde waterfles van de vloer en prop die in de tas erbij. Halverwege mijn poging de rits weer dicht te krijgen, bevriest het bloed echter in mijn anderen.
      Een nieuwe schaduw verduistert de ingang van de Hoorn.
      May uit 4 stapt met een moordlustige blik in haar ogen de Hoorn binnen. De grijns om haar lippen bezorgt me onbewust de rillingen. Argwaan verspreid zich door mijn lichaam, terwijl ik het meisje in me opneem. Ongemerkt verstevig ik mijn grip op mijn zwaard. Ik beweeg me niet, maar onder mijn huid spannen mijn spieren zich, klaar voor de aanval.
      Ze kijkt me echter even kort en samenzweerderig aan, knipoogt en verdwijnt weer met een wapen in haar hand. Blijkbaar is zij niet van plan het pact op te geven, hoewel het met die teamgenoten onmogelijker is geworden dan ooit.
      Mijn ogen glijden begerig langs de verschillende wapens, die uitgestald liggen te wachten op een nieuwe eigenaar. Sommige wapens ken ik bij naam, anderen niet. Ik weet dat ik het niet nodig zal hebben, maar het is zo, zó verleidelijk. ‘’Een wapen waarvan je niet weet hoe je het moet gebruiken, is beter dan helemáál geen wapen, maar veel scheelt het niet.’’ De herinnering aan het strenge gezicht van mijn vroegere leraar brengt me weer terug in de realiteit. Allemaal leuk en aardig, maar ik kan het niet gebruiken. Het is dode ballast.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen