||Rosemary Tyler Ahotley

De volgende ochtend word ik met een glimlach op mijn gezicht wakker en geloof me als ik zeg dat dat niet vaak gebeurd. Het is inmiddels woensdag, mijn vijfde dag in Amerika en mijn derde dag op La Push Tribal High School. Ik kleed me om in een leuk setje kleding en loop stilletjes van de trap naar beneden. Ik wil de keuken binnenstappen, maar het geschreeuw van mijn ouders houd me tegen. Ondanks dat ik weet dat het slecht is om te luistervinken, kan ik het niet laten om mijn gehoorapparaatje in mijn goede oor te stoppen en het gesprek af te luisteren.
      'Waar komt het geld dan vandaan, nou?' roept mijn moeder woedend.
      Ik frons mijn wenkbrauwen, mijn ouders hebben eens in de vier jaar weleens een knallende ruzie, maar ik heb mijn moeder nog nooit zo boos gehoord.
      'Maakt dat uit? Ik dacht dat je hem wilde ontmoeten!' schreeuwt mijn vader nog veel bozer en harder terug. Mijn vader verliest redelijk snel controle, niet qua losse handjes naar ons, maar als hij boos is, gaat hij al snel schreeuwen. Niet dat nog een indruk maakt na zestien jaar.
      'Ik wilde hem ontmoeten? Ben je op je hoofd gevallen? Ik heb hem niet voor niets achttien jaar geleden verlaten!' kaatst mijn moeder terug.
      Ik trek mijn gehoorapparaatje uit mijn linkeroor, duw de ondersteuning in mijn rechteroor, pak mijn tas van de grond en sleutels van het kastje en vertrek naar de garage. What the fuck? Wie heeft mijn moeder achttien jaar geleden verlaten? Zolang ik me kan herinneren zijn mijn ouders al bij elkaar sinds ze zestien zijn. Althans, dat is wat ze ons altijd wijs gemaakt hebben. Mijn ouders zouden nooit liegen, daar hebben ze zelf een bloedhekel aan. Maar geldt dat voor alles?
      Ik slaak een kreun van frustratie, misschien moet ik er wel niets achter zoeken.
      Mijn blik valt op mijn motor en ik duw de sleutels in het contact. Mijn motor komt met een brullend geluid tot leven en zonder nog een blik naar achteren te werpen, race ik de garage uit en de weg op. Mijn zorgen verdwijnen direct als ik de wind door mijn haren voel strelen en automatisch trek ik een scheve grijns. Mijn vrolijke bui wordt alleen verpest de seconde dat hemel begint te huilen. Geïrriteerd kijk ik naar de grijze, donkere lucht boven me en alsof de wolken de belediging aanvoelen begint het toch een partij te hozen.
      Het duurt welgeteld een halve minuut voordat mijn broek helemaal doorweekt is en mijn jas ook begint te lekken. Ik schakel mijn motor naar zijn zesde en laatste versnelling, wetende hoe slecht het is voor mijn motor en gevaarlijk het is met dit weer. Toch lijkt het erop dat het gevoel voor verantwoordelijkheid verdwenen is uit mijn lichaam.
      Dat is tot dat een donkerbruine schim groter dan een paard over de weg rent en ik geforceerd word om zo snel mogelijk te remmen. Mijn grip op de weg verdwijnt en mijn banden beginnen te slippen. Nog geen seconde later raakt mijn motor de schim en word ik over het wezen en van mijn motor gelanceerd. Ik vlieg een paar meter door de lucht, maar voor ik me schrap kan zetten voor de landing, raakt mijn lichaam en voornamelijk mijn hoofd het koude, natte asfalt. Het laatste wat ik kan doen voordat alles zwart wordt is mezelf vervloeken om het feit dat ik voor het eerst in drie jaar geen helm op heb.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen