Foto bij H.24.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ook zijn ergernis smelt weg wanneer ik zachtjes begin te schokschouderen.
'Sorry. Jij hebt natuurlijk plan A tot en met Z al lang overwogen.' zegt hij.
'Je, eikel.' snik ik te zacht om echt boos te klinken, maar ik ben het wel.
Natuurlijk heb ik alles al gedaan wat ik kon, doe ik alles in mijn macht.
Hij strekt zijn hand naar mij uit om iets te doen om me te troosten, maar ik sla hem weg.
'Ik... ga weg, Evan.' zeg ik en ik zal er nooit achter komen of hij dat ook echt doet, want ik draai mij om en kijk niet meer terug.

Ik word wakker.
Ik schrik niet wakker, ik ben het gewoon opeens.
Na een tijdje heb ik pas door waar ik ben: op de bank in mijn huis.
Ik kom moeizaam overeind.
Ammay.
Ik moet voor Ammay zorgen.
Wat is er gebeurd?
Dan herinner ik het mij weer.
O, god, ik heb Evan verteld wat er zich hier in dit huis afspeelt.
En ik heb hem weggestuurd, ben tegen hem uitgevallen.
Wat heb ik in godsnaam gedaan?
Hij gaat het doorvertellen.
Hij moet me toch wel haten?
Misschien heeft hij gelijk.
Er is genoeg bewijs van mishandeling.
We zouden zo naar de rechter kunnen gaan, misschien zouden we winnen.
Maar misschien doet mijn moeder Ammay iets aan.
Ik kan het risico niet nemen.
Ik durf het risico niet te nemen.
Ik knijp mijn ogen dicht, dwing mijn ademhaling rustig te maken, niet in paniek te raken.
Wanneer ik mijzelf weer onder controle heb loop ik naar boven.
Het is negen uur in de avond, dus als het goed is ligt Ammay te slapen.
Ik ben gewoon naar huis gegaan en op de bank in slaap gevallen, zonder aan haar te denken.
Dat had ik niet mogen doen.
Maar - tot mijn grote opluchting - ligt ze gewoon te slapen, in haar bed, veilig.
Ze ziet er vredig uit.
Ik dek haar alsnog toe en strijk een lok haar uit haar gezicht.
Vegen ga ik op de rand van het bed zitten en kus haar op haar slaap.
Heel, heel even, al kan ze me niet horen, begin ik zachtjes te zingen.
'You are my sunshine, my only sunshine.
You make me happy, when...'
Ik houd in een keer op met zingen.
Ze hoort me toch niet.
Ik heb hoofdpijn.
Ik ben moe.
Vandaag was een te drukke dag met te veel rottigheid en ik moet rusten, anders barst ik uit mijn voegen.
Ik loop naar beneden, naar de kelder, waar ik een matras vandaan haal.
Ik weet dat mijn moeder op vakantie is, maar ik vertrouw het niet.
Niet alleen haar, maar ook Evan ook niet.
Ik betwijfel het, maar mocht hij iets doen, langskomen, wat dan ook, dan wil ik beneden zijn, de eerste zijn die wie dan ook tegen kom.
Dus ik stal mijn geïmproviseerde bed uit op de vloer, bij de bank, waar ik de voordeur kan zien.
Dan stort ik erop neer, te moe om iets te doen.
Ik weet niet waarom ik de tranen binnen probeer te houden, de stress, maar uit alle macht probeer ik mijzelf bijeen te houden.
En dan wordt er op de deur geklopt.
Het is te zacht om Ammay te wekken, maar luid genoeg om mij op te doen springen en mijn ledermaten te doen trillen.
Ik ben bang.
Het is donker, ik ben praktisch alleen en er staat iemand voor de deur waarvan ik niet weet wie.
Ik loop naar de keuken, pak een mes, al weet ik dat ik nooit iemand neer zou kunnen steken, zelfs als ik het zou willen.
Dan pak ik mijn sleutel, mijn vingers trillen wanneer ik het slot open.
Mijn hand verkrampt om het mes en ik open de deur, al mijn spieren gespannen.
Het is Evan.
Ik ben niet opgelucht, maar ook niet iets anders.
'Wat doe je hier?' vraag ik.
Hij zet een stap dichterbij, maar ik span de spieren in de arm met het mes aan.
'Niet. Doen', zeg ik traag, waarschuwend,' voor de laatste keer: wat doe je hier?'
Hij wrijft over zijn gezicht.
'Gioa... echt... ik... het spijt me, oké?' zegt hij.
Ik kijk hem met een verwrongen gezicht aan.
'Oké?!' snauw ik,' Nee! Nee, niet oké. Het is tien uur. Ga weg! Ik zei dat je weg moest gaan. Ga weg. Ik wil je niet meer zien.'
Door de tranen heen probeer ik dapper te lijken, standvastig.
'Gioa... ik was een eikel, oké. Dat weet ik. Ik was gewoon verbaasd. Dat-dat kan je me toch niet kwalijk nemen?' zegt hij en gaat verder voordat ik hem kan onderbreken,' Kijk, ik weet niet precies wat er aan de hand is, ik weet alleen dat ik níét gewoon aan de zijlijn ga staan en niks ga doen, of je het wilt of niet. Ik beloof dat ik niets zal doen wat je niet wilt. Maar... luister, waar is je moeder nu? Op vakantie, toch?'
Ik knik zachtjes, probeer helder na te blijven denken.
'Ja.' fluister ik.
'Wat nou als ik elke avond dat je moeder er niet is, ik jullie meeneem naar een restaurant. Ze zal er nooit achter komen. Zolang ze er niet is, zal ik ervoor zorgen dat jullie... aan kunnen sterken... voordat...'
En dan hoor ik voetstappen op de trap.
'Gioa? Wie is daar?' vraagt Ammay.
Ik kijk van mijn zusje naar Evan en weer terug.
'Is dat je zusje?' vraagt Evan, duidelijk verward, maar lang niet zo verward als ik.
Ammay komt in onze richting rennen.
Snel laat ik het mes vallen en schop het weg, waarna ze mijn hand vastpakt.
'Waar kennen jullie elkaar van?' vraag ik, meer dan in de war.
'Mijn band was een keer lek toen ik terugfietste van school en hij heeft hem toen geplakt.' zegt Ammay.
Ik ben even stil, probeer het te verwerken, ook al is het helemaal niet zulke baanbrekende informatie.
'O.' zeg ik dan.
Dan begint ze aan mijn arm te hangen en enthousiast op en neer te springen.
'Oe! Mogen we hem houden?' vraagt ze, alsof ik een hond is.
Ik slik, laat alles op mij inwerken, kijk van mijn zusje naar de praktisch vreemde in mijn deurpost.
'Hij', ik zucht,' hij mag op de bank slapen.'

Reacties (5)

  • GossipGirl21

    Super story.

    2 jaar geleden
  • Luckey

    Dat is al een hele stap
    Laat die moeder daar blijven
    Voor altijd

    3 jaar geleden
  • Diago

    Mogen we hen houden? Haha

    3 jaar geleden
  • BethGoes

    Joepie!

    3 jaar geleden
  • DeNaamIsGideon

    Awh/nawh/lol

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen