Foto bij H.27.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik toets het nummer in.
'Hallo?' klinkt het achterdochtig.
Ik herken de stem.
Het is diezelfde man waarmee ik namens mijn moeder zaken mee gedaan heb en dezelfde die mij de baan aanbood.
'Ik ben Monique's dochter, Gioa.' zeg ik en hoop dat hij het zich herinnert.
'Aha.' klinkt de bevestiging.
Ik bijt op mijn lip en knijp mijn ogen dicht.
Mijn hand klauwt zich vast in het gordijn en ik knijp.
Waar ben ik mee bezig! denk ik bij mijzelf.
Overleven.
'Is die baan nog vrij?'

Een kort moment is het stil.
Ik ben kotsmisselijk.
Gisteren had ik alles nog enigszinds onder controle, maar vandaag sta ik op het punt drugsdealer te worden.
'Die is nog vrij' zegt hij,' maar dat zegt niet dat jij die zomaar krijgt.'
Ik knik, ook al kan hij dat niet zien.
Gewoon kalm blijven.
'Dat snap ik.'
Weer een moment van stilte.
'Kan je schieten?'
'Ik ben een snelle leerling.' zeg ik scherp.
Er klinkt een zucht.
'Heb je ooit überhaupt een wapen vast gehouden?'
Ik schraal mijn keel.
'Ja.'
'Ja? Hoe dan?' hij klinkt verbaasd.
Even haal ik diep adem.
'Mijn vader was politieagent. Toen ik vijf was leerde hij mij hoe een pistool vast te houden. Een aantal maanden later heb ik een paar keer mogen schieten, maar ik was te jong om dat echt goed te leren. Ik ben er zeker van dat ik het snel weer door heb.' zeg ik - ook iets wat ik mij pas weer herinnerd heb.
Er klinkt een stilte.
'Een politieagent als vader.' murmelt hij in zichzelf, duidelijk niet tevreden.
'Hij is weggegaan toen ik heel jong was. Ik heb niks meer met hem te maken. Dat willen doe ik ook niet.' verzeker ik hem.
Eventjes is hij stil.
'Oké.' zegt hij en murmelt dan iets tegen een andere man, die een onverschillig gromgeluid laat horen.
Mijn handpalmen zijn klam van het zweet, maar mijn stem heb ik in ieder geval onder controle.
'Prima', klinkt het dan,' kom vanavond om tien uur naar achter de supermarkt. Daar pikken we je op.'
En dan is hij weg.

Achter de supermarkt wacht ik.
Ik ben te vroeg.
Het lijkt hier enger in het donker.
Mijn brommer heb ik iets van tweehonderd meter hiervandaan neergezet, omdat ik niet zo veel geluid wil maken op de plek waar ik waarschijnlijk nog wel eventjes zal moeten staan.
Hoe minder aandacht ik op mij vestig, hoe beter.
Ik draag een zwarte hoodie, heel versleten en heel simpel, die ik een eindje heb opengeritst en waaronder ik een grijs T-shirt draag.
Onder de capuchon heb ik mijn haar bijeengebonden, waardoor de nagelvornige littekentjes in mijn hals zichtbaarder zijn dan ik normaal toelaat.
Heel lang heb ik getwijfeld, gestaard naar wat mijn vader op mijn huid getekend heeft, maar een staart in mijn haar leek handiger dan het los dragen - wie weet wat we wel niet gaan doen vannacht.
Ammay heb ik verteld dat ik zolang mama weg is, ik ook 's nachts zal werken bij de McDonalds.
Een ding weet ik zeker: mijn Ammay zal er nooit achterkomen wat ik moet doen om ons in leven te houden.
Vanmiddag heb ik toch eindelijk ook een cadeau gekocht voor Ammay, wiens verjaardag morgen al is.
Het hele jaar heb ik gespaard om haar iets moois te geven.
Dat ik twee banen kwijt geraakt ben, mag niet ten kosten van Ammay gaan.
Bovendien gaat deze baan waarschijnlijk meer opleveren dan dat ik eerst verdiende.
Het is een zilveren ketting met de mooiste topaas erin die ik ooit gezien heb.
Het is een vreemde kleur turqoise, maar ontzettend mooi.
Een week of twee terug zag ze hem in een etalage hangen.
"Die kleur heb ik nog nóóit gezien! Zo mooi!"
Dat was wat ze zei.
En toen wist ik dat ik dat voor haar moest kopen, dat dat haar een glimlach op haar gezicht zou schenken, elke keer dat ze ernaar keek.
En dat heb ik gedaan.
In gedachten verzonken leun ik tegen de muur aan wanneer ik in mijn ooghoek iets zie.
Het zijn vijf mannen.
En waarschijnlijk, schiet er door mijn hoofd, zijn dat de mannen op wie ik wachtte.

Reacties (4)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen