Foto bij H.33.

Het laatse stuk van het vorige hoofdstuk:
'Is... is mama terug?' zegt Ammay en het klinkt alsof haar keel wordt dichtgeknepen.
Eerst frons ik en dan krijg ik een vermoeden dat mij even aan mijn gezicht laat voelen.
Natuurlijk.
Mijn oog is blauw en er zit een snee bij mijn wenkbrauw, gepaard met een gebarsten lip en weet ik wel niet wat ze allemaal ziet.
'Nee. Nee, helemaal niet', stopt ik uit, waarna ik mij dwing rustiger te zijn,' Ik struikelde gisteravond en viel. Niet super handig, maar ja. Het valt wel mee.'
Even is ze stil.
'Echt?' vraagt ze voorzichtig.
Dan schuif ik naar haar toe en sla mijn armen om haar heen, druk haar hoofd tegen mijn borst en laat mijn wang tegen haar haar drukken.
'Waarom zou ik ooit tegen jou liegen?' en mijn stem trilt.

Na een tijdje gaan we naar beneden met een Ammay die in haar pyjama trots met haar ketting om en ik in een donkere, versleten spijkerbroek met een rood-zwarte, geruite blouse erboven.
Ik maak gauw wat te eten voor mij en schiet bijna tegen het plafond als ik de deurbel hoor.
'Mama zou niet aanbellen.' zegt Ammay.
Ik ben vernederd dat zij degene is die míj geruststeld, dus ik knik maar gewoon.
Ik loop naar de deur en doe voorzichtig open.
Het is Evan.
Ik weet niet waarom ik niet zo gerustgesteld ben als ik dacht.
Hij glimlacht naar me en dan pas zie ik dat hij iets in zijn handen heeft.
Het is gigantisch.
Hoe kon ik dat nou niet zien?
Het is een soort grote, witte doos.
Met een hand opent hij hem.
Er zit een prachtige, tweelagige, witte taart in en als het nog meer laagjes had, zou het een bruidstaart kunnen zijn.
Hij is absoluut prachtig.
Mijn ogen worden groot.
'Jezus, Evan, dat.... dat had echt niet gehoeven. Waar heb je zo'n taart wel niet gekocht?' stamel ik, stom van verbazing.
Hij grijnst.
'Zelf gemaakt.' antwoord hij, alsof dat super gewoon is, waarna hij over mijn schouder naar binnen kijkt en mij de kans niet geeft verder te sputteren over de taart.
'Waar is de jarige?'
Hij heeft het onthouden.
Ik heb één keer gezegd dat Ammay jarig was, net voordat hij vertelde dat hij wees was en ik verklapte wat mijn moeder deed en hij heeft het onthouden.
Voorzichtig verschijnt Ammays gezicht om de hoek.
Haar ogen worden groot als ze de taart ziet.
Ik dwing mijzelf te lachen.
'Kom binnen.' zeg ik tegen Evan.
Dat doet hij.
Hij legt de taart op tafel en Ammay kijkt ernaar alsof een mooier iets niet bestaat.
Dan kijkt hij naar mij en wanneer hij zeker weet dat mijn zusje niet kijkt, vervaagt zijn opgewekte uitdrukking.
Maar omdat ze hem ondanks dat ze niet kijkt, nog altijd kan horen, is zijn stem wel vrolijk.
Waar is hij boos over?
'Gioa? Ik moet nog wat dingetjes bij mij thuis ophalen. Wil je even helpen?' hij wacht niet op een antwoord en wendt zich tot Ammay,' we zijn over een half uurtje terug. Minder. Maximaal.'
Mijn zusje knikt.
Ik trek mijn jas en schoenen aan.
'Niet alvast beginnen, hé!' roep ik lacherig voor ik de deur sluit, maar ook ik glimlach niet.
Hij begint te lopen.
Ik volg hem.
Ik zeg niks.
'Het is ietsje minder dan tien minuten lopen', kondig hij aan,' Volg mij maar gewoon.'
En dat doe ik.
Wat zou er mis zijn?
Het voelt alsof ik het moet weten.
En na een inderdaad niet zo lange tijd komen we aan bij een huis, veel chiquer en duurder dan dat van mij, omdat zijn ouders miljonairs waren, maar ongeveer in dezelfde stijl.
Hij opent de deur, nog steeds in stilte.
Er begint een hond te blaffen en hij of zij rent naar mij toe zodra ik door de deur loop.
'Dexter, laag.' zegt Evan met duidelijke stem, net voordat de hond tegen mij op wilt springen.
Hij heeft dus een hond.
Ik kijk naar het opgewekte beest.
Het is een pitbull of iets in die richting, maar absoluut niet overdreven gespierd en duidelijk een gezeldschapshond.
Hij is grijs met witte pootjes, buik, borst en ook heeft hij één wit oor.
Het dier lijkt niet agressief en welopgevoed, ook al zijn de vooroordelen over pitbulls wel ietsje anders.
'Ik wist niet dat je een hond had.' zeg ik.
Ik hou van honden.
Ze zijn vriendelijk, loyaal, blij je te zien en als het goed is slaan ze je niet voor het plezier in elkaar.
'Dat komt omdat ik het je niet verteld heb.' antwoord hij, zijn stem scherp.
'Vertel.' zeg ik.
Hij kijkt me niet aan en loopt wat verder het huis in. Ik begin Dexter te aaien.
Het huis is leeg, met een bank, eettafel, keuken, hondenmand met speeltjes en vooral een hoop fitness-apparaten.
De geur van taart hangt nog in de lucht.
'Hij is anderhalf. Ongeveer. Hij heet Dexter. Lief beest. Ik vond hem vastgebonden aan de kant van de weg als puppy. Voor dood achtergelaten. Ik heb hem meegenomen.' zegt hij kortaf.
Hij is boos.
Maar niet op mij.
Ik weet niet waarom ik dat weet, maar ik weet dat hij niet zozeer boos is op iemand in het algemeen, of dat hij niet precies weet op wie hij boos is.
Ik ga weer staan en leun tegen de muur.
Een pluk haar valt voor mijn gezicht.
'Wat is er?' vraag ik en mijn stem klinkt helder in de ruimte.
Hij draait zich naar mij om en loopt naar mij toe.
Hij steekt zijn hand uit jaar mijn gezicht, maar zijn vingers raken mijn huid net niet.
Zijn kaken zijn om elkaar geklemd.
'Wie?' sist hij.
Hij doelt op mijn gehavende gezicht, op mijn blauwe oog.
Ik kijk weg.
Ik kan niet zeggen dat ik mij bij een groep drugsdealers heb aangesloten en daardoor door een groep drugsverslaafde vrouwen afgerost ben.
Letterlijk alles is beter dan dat zeggen.
'Iemand van school. Het valt wel mee.'
Even is hij stil.
'Je zou', hij slikt.' Je zou beter op jezelf moeten passen. Het gaat... het gaat niet bepaald goed met je.'
Ik kijk hem vlammend aan, met een blik van vuur.
'Denk je dat ik dat niet weet?!' snauw ik met tranende ogen,' Denk je dat ik niet weet dat bewegen geen pijn hoort te doen?! Dat ik pijnloos zou moeten kunnen ademen?! Dat het niet vreemd hoort te voelen om géén honger te hebben?! Denk je dat ik dat verdomme niet weet?!'
Een seconde is het stil.
'Doe... doe ff rustig.' zegt hij dan.
Ik kijk hem met hernieuwde, onverwerkte en bovenal misplaatste woede aan.
'Of anders? Ga je me dan slaan?'
Ik heb er gelijk spijt van wanneer ik het zeg, want het is niet eerlijk en hij raakt meteen overstuur.
Na een paar seconde slaat hij zijn armen om mij heen en drukt mijn zacht schokschouderende gestalte tegen zich aan.
'Ik zou jou nooit, nóóit pijn doen. Dat weet je, toch?' zijn stem trilt en hij klinkt misselijk.
'Ja.' fluister ik en voor het eerst vandaag, hoef ik niet te liegen.

Reacties (3)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    1 jaar geleden
  • BethGoes

    Zoenen! Zoenen! 😂😂😂

    2 jaar geleden
  • Luckey

    blijf bij hem dan ook gewoon

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen