Foto bij De ring

De ring

Het was een dag met een bedroefd aura: de regen viel in dunne straaltjes uit de lucht, de wolken waren grijs – maar niet dreigend – en de zon was enkel een vage schim, verborgen achter die wolkenmantel. Colby vond dat dit de perfecte dag was voor een begrafenis, aangezien hij zelf ook op een dag als deze begraven was geweest. Het had hem weken in beslag genomen om zijn kist te breken en zijn weg naar de oppervlakte te vinden. Nu zat in een grot, die af en toe overspoeld werd door zeewater. Soms klom hij wel eens op de rotsen om naar de begraafplaats te kijken. Iedere keer zag hij mensen die hij dacht te herkennen, maar nooit kon hij zich herinneren waar hun gezichten vandaan kwamen. Wat hij zich wel nog kon herinneren, was dat de mens streefde naar de waarheid zonder een goede reden te hebben. Op dit moment besefte hij precies wat men daarmee had bedoeld, maar hij had er een hekel aan dat hij zinloze feiten als dat wel nog terug kon halen uit zijn bestofte brein, maar de echt belangrijke dingen niet.
      Hij probeerde zijn gedachten te verzetten in zijn grot. Hij opende het kleine doosje waarin hij zijn ring vond. De helft van zijn tijd bracht hij door met zijn ring. Het kleine voorwerp was de enige connectie die hij had met zijn vorige persoon. Hij had het gevoel dat hij iets te weten zou kunnen komen, als hij maar lang genoeg staarde. Er kwam nooit een herinnering terug, maar de ring was wel erg mooi. De verbintenis met zijn ring was sterk, het was een schande dat zoveel mensen bereid waren om te sterven voor een stukje goud dat hen niets zei, maar van levensbelang was voor Colby.
      ‘Ben jij een zombie?’
      Er liep een rilling over Colby’s rug en hij sprong meteen naar achter, terwijl hij de ring stevig tegen zijn borstkas duwde. Iedere keer wanneer er een inbreker kwam, rinkelde er een alarm in zijn hoofd. Hij wist dat ze eraan kwamen, hij wist dat ze zijn schat kwamen stelen en hij wist dat hij hen moest vermoorden, wilde hij ze stoppen. Bij deze jongeman, die hem met bijzonder enthousiaste ogen aankeek, ontbrak het alarm volledig. Het was alsof hij niet bestond, alsof hij een geest was.
      Colby had op het kerkhof meerdere geesten gezien, maar deze jongen was absoluut geen geest.
      Hij kwam dichterbij op handen en knieën en glimlachte breed. ‘Ik heb nog nooit een zombie gezien. Ik dacht dat jullie minder bang waren en meer uit waren op mensenvlees. Of hersenen, of… zoiets?’ Hij fronste een beetje alsof hij verwachtte dat Colby hem zou corrigeren.
      ‘Ik ben geen zombie.’ Dat had hij willen zeggen, maar zijn stembanden waren rot, en anders wel bedekt met algen, dus er kwam enkel een schril geluid uit zijn mond. Haast onmiddellijk drukte hij zijn lippen weer op elkaar.
      ‘Geen mensenvlees?’ zei de jongen ietwat teleurgesteld. ‘Ik ben Joachim, wat is jouw naam?’
      Zelfs al wilde hij antwoorden, dan nog kon hij het niet. Hij klemde zijn vingers stevig om zijn ring, op zijn hoede. Ze kwamen allemaal hierheen met dezelfde bedoeling. Het waren allemaal dieven. De wereld bestond enkel uit dieven.
      Het zou hem niet verbazen als hij in zijn vorige leven ook een dief was geweest.
      ‘Wat heb je daar vast?’ De jongen kroop dichterbij en opeens waren zijn ogen als die van ieder ander. Het was alsof er een vloek rustte op die ring, waardoor iedereen hem van Colby af probeerde te nemen. Hij was van hem, het was het enige wat hem nog bond aan de echte wereld, het enige waardoor zijn dode – toch levende – lichaam voort kon blijven gaan.
      Hij kon de ring niet verliezen. Niet nu hij zo dicht bij de waarheid was.
      Hij was al meer dan honderd jaar ‘zo dicht bij de waarheid’.
      ‘Laat me eens zien,’ drong de jongen aan. Hij greep naar Colby’s hand, maar deze wist de grijpende hand net op tijd te ontwijken. Hij stond op, maakte brute geluiden. Hij siste, hij sprak met zijn gebroken, onverstaanbare stem en zelfs een idioot kon begrijpen dat Colby wilde dat de jongen weg zou gaan.
      Misschien was de jongen hier gekomen met een bepaalde onschuld, maar onschuld werd altijd verpest zodra men iets waardevols in de strijd gooide. ‘Geef me die verdomde ring!’ schreeuwde hij. Colby meende zich te herinneren dat hij vroeg ook zo was geweest: volstrekt onschuldig, totdat die ring in het spel kwam.
      Colby blies zichzelf op. Vetrollen lagen rond zijn buik en rond zijn kin, maar het was geen echt vet. Zijn missende oog viel extra hard op, nu de rest van zijn lichaam zodanig gevuld was. Met zijn immense gestalte zette hij een dreigende stap vooruit. De jongen ging niet weg, maar bleef zijn best doen om de ring te bemachtigen. Het volgende moment zette Colby zijn tanden in het vlees van de jongen. Hij smaakte even afschuwelijk als de rest en zijn dood was minstens even zinloos.
      Alsof de jongen nooit meer was geweest dan een stuk vlees, viel hij met opengesperde ogen op de grond. Er lag geen angst in zijn ogen, enkel hebzucht en waanzin. Colby sleepte de jongen naar de berg lijken. De berg stonk, maar niet veel erger dan hijzelf. Bovendien werd de geur deels gemaskeerd door het zoute water van de zee, dat af en toe naar binnen stroomde.
      Colby kromp terug. Hij keek naar de ring in zijn handen. Het vervloekte ding dat iedereen tot waanzin dreef. Hij zou het voorwerp in de zee moeten gooien; dat zou voor iedereen het beste zijn. Maar in plaats daarvan verstopte hij het terug in zijn doosje en bracht Colby opnieuw een bezoekje aan het kerkhof, waar hij opnieuw geteisterd werd door het gevoel dat hij iedereen kende – en het gevoel dat iedereen hem met beschuldigende ogen aanstaarde.
      Misschien bestond de wereld uit dieven, maar zijn ring was tenminste geen dief.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen