De donkere, bedompte ruimte was gevuld met geroezemoes. Het was er onaangenaam warm en deed denken aan een rovershol, met de verschillende lagen van warmte en geluid die over de mensen heen rolden. Zo werd het ook genoemd, het Hol. Het weinige licht kwam van de grote olielamp, die midden in de ruimte op tafel stond. Het grillige licht viel ongecontroleerd op de zwartbruine muren, en de acht stapelbedden die op elkaar gepropt de meeste ruimte innamen, zorgden voor de vreemd gevormde schaduwen.
      Tussen de bedden was er nauwelijks ruimte om te lopen. Sommige waren zelfs tegen elkaar aangeschoven, zodat de slaven die dat bed toegewezen hadden gekregen bij het voeteneind maar omhoog moesten klimmen. Tegen de ene wand stonden drie stapel bedden, tegen de andere vier. De ruimte voor het vierde bed was door een grote boiler ingenomen. Daarom stond er nog een extra bed aan de rechterkant, het verst bij de deur vandaan, tussen de twee muren van bedden in, om toch nog de zestien slaven te kunnen herbergen.
      De ruimte die de boiler innam was niet het enige probleem dat het ding veroorzaakte. De boiler was ook altijd, zonder enige uitzondering, een bron van onmenselijke hitte. De bizar hoge temperatuur werd natuurlijk ook onder andere veroorzaakt door de zestien lichamen in de kleine ruimte, wat ook de reden was van de bedompte geur, maar de boiler hield de temperatuur zo hoog dat het nooit comfortabel werd. Het viel mee dat het verwarmingssysteem aan de andere kant van de muur zat, maar desondanks kwam de temperatuur in de overvolle ruimte nooit onder de vijfentwintig graden.
      De enige ruimte die niet door bedden was ingenomen, waar nu zo’n tien van de slaven zich bevonden, was vlak voor de deur, waar ook de olielamp op het kleine tafeltje stond te branden.
      De kleine jongen wiste het zweet van zijn voorhoofd. Hij zat op zijn bed, met zijn hoofd iets gebogen zodat hij zijn hoofd niet tegen het bovenste bed aanstootte. Als hij had kunnen lezen, zou hij gepoogd hebben de kleine en priegelige lettertjes in het zwakke licht te kunnen lezen. Maar in plaats daarvan had hij zijn vingers om het donkerrode boekje geklemd, alsof het een baken in zijn leven was. De letters had hij nooit kunnen begrijpen, voor hem bleven het vreemde tekens op dun papier.
      Eén van de oudere slaven kon wel lezen. Althans, dat had hij beweerd toen, met zijn borst trots vooruit gestoken. Antonio wierp een voorzichtige blik op de donkere jongen, die nu niets meer op zichzelf leek. Doodstil staarde hij naar de deur, alsof hij zijn broer naar beneden kon halen met louter wilskracht. Hij had een schaduw geweest kunnen zijn als hij niet zo stil had gezeten. De andere slaven praatten langs hem heen, nieuwsgierig, afwachtend. Carlos zelf zat echter stijf van spanning. We zaten hier immers met vijftien. Niet met zestien.
      Roberto was boven.
      De deur door, de steile trap op, de tweede deur door.
      Daar was hij aan het praten. Of eigenlijk deed Meneer het woord en zou Roberto alleen maar luisteren en knikken, zo stelde Antonio zich voor. Mevrouw wilde van Roberto af, had Carlos gezegd. Carlos had een dubbelgevouwen briefje naar Meneer moeten brengen en had het gelezen. Per ongeluk, het briefje was van het dienblad af gewaaid en opengevallen. Maar het had niets aan de inhoud veranderd. Roberto moest weg. Carlos had het doodvonnis van zijn bloedeigen broer moeten overbrengen naar Meneer.
      Toen Carlos het tegen zijn broer gezegd had, waren ze allebei stilgevallen. Vanaf dat moment totdat Roberto naar boven moest had de tweeling niets meer gezegd.
      En nu was hij boven. Met maar één trap tussen hen in, maar nog nooit zo ver weg. Als de plannen van Mevrouw doorgingen zouden ze elkaar nooit meer zien. Dit was het moment waar het allemaal om draaide. Antonio ging iets verzitten.
      Het was oneerlijk. Roberto had helemaal niets fout gedaan, alleen maar zijn normale taken uitgevoerd. Iedereen had hem gevraagd wat hij gedaan had, maar hij kon zich niets verkeerds herinneren, had hij gezegd. En toch was hij nu boven, en zij beneden.
      Antonio wilde net zijn benen onder zich uitstrekken en naar de kring toelopen, toen er een luide schreeuw klonk. Het was opslag stil. Er klonk een luide klap, van een deur misschien, en nog een schreeuw. Carlos stond met een ruk op. De grote jongen trilde haast, zijn vuisten gebald langs zijn lange lichaam. We staarden allemaal in een gruwelijke stilte naar de deur. Hopend dat er niets zou zijn, dat Roberto straks ongeschonden van de trap af zou komen.
      Hij kwam niet.
      Seconden gingen tergend traag voorbij, de spanning in de kamer stijgend met elke hartslag. Er klonk nog een klap van een deur, deze dichterbij. Allemaal keken ze naar Carlos, en daarna weer richting de deur. De zware voetstappen op de trap. De klink die langzaam naar beneden werd gedrukt. De deur die slepend open zwaaide met krakende scharnieren.
      Roberto.
      Op zijn voorhoofd liep een straaltje bloed.
      Hij zei niets.
      Meneer kwam achter hem aan, maar bleef op de trap stilstaan. Observeerde elke stap, elke beweging die Roberto maakte. De slaaf bleef twee seconden in de deur opening staan, met zijn verslagen blik op Carlos gericht. Toen boog hij zijn hoofd en schuifelde hij in de richting van zijn bed, zonder hem verder nog aan te kijken. De rest van de slaven weken voor hem in stilzwijgen.
      De jongen pakte het metalen bandje en klikte het los van de ijzeren stang van zijn bed. Nog altijd sprak niemand. Roberto schuifelde terug, zijn blik op de grond. Meneer stond op de trap te kijken, terwijl de slaaf hem het bandje aanreikte. Hij lachte. Hij trok zijn lippen op in een brede grijns, die Antonio altijd de rillingen gaf. Meneer sloot zijn dikke vingers om het metaal en gebaarde met een vunzige tevredenheid naar Roberto dat hij de trap op moest.
      ‘Roberto!’ Carlos zette een stap naar voren, zijn vuist halverwege zijn lichaam. De wanhoop tekende zijn gezicht, terwijl hij radeloos naar de rug van zijn tweelingbroer keek. Roberto stopte, met één voet op de eerste trede. Het gezicht van Meneer verdonkerde. Hij siste een woord, gemeen en hardvochtig.
      Roberto kromp ineen, alsof hij geslagen werd en liep toen verder. Hij slofte de trap op en verdween toen uit het zicht. Meneer grijnsde nogmaals, sloot de deur en liep ook de trap op, met zijn kenmerkende harde voetstappen.
      Dat was de laatste keer dat we Roberto zagen. Nadat hij de trap op was gegaan, hadden we hem nooit meer teruggezien. Dat was ook de laatste keer dat Carlos nog iets gezegd had

Reacties (1)

  • aarsvogel

    Ik moest hier echt bijna om huilen. Ik vind dit zo immens goed geschreven, en aan de andere kant ook zo heftig. Die laatste zin was echt zielig:(

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen