Foto bij Chapter twenty-four

Op het moment dat ik een stap op de besneeuwde bergen zette, kreeg ik al spijt dat ik niet naar huis ben gegaan voor een warmere jas of om binnen te blijven. Er is een stevige, koude wind opgestoken en de kleine sneeuwvlokjes die langzaam naar beneden komen dwarrelen, betekenen niet veel goeds. Met mijn armen om mij heen geslagen om me warm te houden, schuif ik me een weg door de dikke sneeuw, richting de top van de bergen. Vanaf dat punt hoop ik iets te kunnen vinden. Nu het donker is, zie ik niet enorm veel, maar dat is niet heel erg nodig, zolang ik maar een grot vindt waar het verlicht is. Als ik die weet te vinden, dan kan alles weer worden zoals het was. Dan heb ik het kristal gevonden en dan hoef ik alleen een manier te vinden om het te verwoesten.
Met dat ik gedachten, stap ik stevig door, maar doordat het harder begint te sneeuwen, wordt het steeds moeilijker om mijn omgeving te kunnen onderscheiden. De duisternis van de nacht was al genoeg, maar nu er een sneeuwstorm opsteekt, moet ik zo snel mogelijk een plek vinden om te schuilen. Mijn voeten zijn helemaal doorweekt door de koude sneeuw en zorgen er niet bepaald voor dat ik lekker op kan warmen. Het werkt alleen maar meer tegen om verder te kunnen lopen. Een luide klap laat me opschrikken. Ik kijk schichtig om mij heen en besluit snel door te lopen. Na een lange weg door de ijskoude sneeuw en wind te hebben gelopen, zie ik in de verte iets dat op een grot lijkt. Wanneer ik om mij heen kijk, lijkt de omgeving me erg bekend voor te komen en besluit ik naar de grot te lopen. Vanaf het punt dat ik de grot gesignaleerd heb en hoe dichter ik erbij kom, heb ik nog geen licht gezien. Zou ik de verkeerde grot hebben? Ik bijt zacht op mijn lip als er een koud windvlaag langs me heen raast en loop bibberend de grot in. Nog steeds is alles donker. De moed zakt langzaam weg in mijn koude schoenen, maar ik besluit door te lopen. Ik wil de hele grot bekeken hebben, voordat ik teleurgesteld vertrek. Heel voorzichtig loop ik langs de muur van de grot en voel ik af en toe goed of er niet ergens een gat of kuil is waar ik in zou kunnen vallen, maar zodra ik de laatste stap zet, glij ik een enorme krater in en stop ik onderaan in het gat. Ik wrijf pijnlijk over mijn kont en kijk met grote ogen om mij heen. Het is precies dezelfde plek waar ik jaren geleden terecht kwam toen ik klein was. Op dit moment zou ik enorm blij moeten zijn, alleen is er een klein probleem. Het kristal is nergens te bekennen.

Met een koud en teleurgesteld gevoel stap ik de grot uit. Maar zodra er een koude wind opsteekt, besluit ik terug naar binnen te stappen. Het heeft geen nut om in deze storm nu nog naar buiten te gaan. Als ik dat doe, dan weet ik zeker dat ik niet levend aan kom. Een diepe zucht verlaat mijn mond. Ik besluit voor mezelf een vuurtje te maken en verzamel alle takjes die dicht bij de grot liggen. De dode bladeren die hier en daar nog een beetje liggen, neem ik ook mee en stapel alles op. Na tien minuten hard gewreven en geblazen te hebben, is er eindelijk een vuurtje ontstaan en warm ik mezelf op. Mijn kleding en schoenen drogen langzaamaan ook. Met het laatste beetje stroom van mijn telefoon, laat ik mijn vader weten dat ik bij Atsuya overnacht. Aangezien ik weet dat hij dat niet gaat checken, weet ik voor bijna 100 procent zeker dat het goed gaat komen. Tenzij Atsuya morgenochtend besluit me thuis op te halen. Waar ik niet ben. Met een kleine glimlach om mijn gezicht, doe ik de sjaal van Atsuya af en vouw het op om erop te kunnen liggen. Ik leg mezelf op een veilige afstand bij het vuurtje vandaan en sluit tevreden mijn ogen. Ondanks dat ik het al jaren niet meer gewend ben om in de kou buiten te zijn, weet ik mezelf nog even goed te redden als vroeger. Ik hoef er nu alleen nog maar voor te zorgen dat ik morgenochtend niet verklampt ben van de kou en ik mijn zoektocht kan voortzetten.

Next day, somewhere in the afternoon

Als er herhaaldelijke zachtjes in mijn gezicht wordt geblazen, brom ik zachtjes ‘ga weg’ en wil me omdraaien. Maar zodra ik daar een poging toe wil wagen, voelt mijn lichaam zo enorm stijf aan, dat ik het niet voor elkaar krijg. Ik open brommend mijn ogen en slaak een geschrokken kreet als er een hert naast mij staat. Het dier schrikt zo van mijn stemgeluid, dat het snel de grot uitvlucht. Ik woel verward door mijn haren en trek een vies gezicht als er wat plukken haar vochtig zijn. Het dier heeft dus aan mijn haar zitten knagen. Als ik een paar plukken controleer, zijn er hier en daar wat stukken uitgekauwd. Ik knars geïrriteerd mijn haren en bind het snel samen tot een slordige staart. Wanneer ik mijn telefoon wil controleren, merk ik dat het niet meer in mijn zakken zit, of in mijn omgeving is. Ik duw mezelf brommend overeind en strek me kreunend uit. Hier en daar hoor ik wat gekraak tijdens het uitrekken en raap de sjaal van de rond. Ik wikkel het snel om mijn nek en slof naar buiten. Mijn lichaam is gelukkig opgewarmd en zodra ik buiten kom, doet de zon hier nog een schepje bovenop. Aan de stand van de zon te zien, is het ruimschoots al middag geweest, wat betekent dat ik enorm veel problemen ga hebben zodra ik terug kom. Mijn vader denkt dat ik bij Atsuya ben, maar die zal ondertussen al langs mijn huis zijn gegaan om te constateren dat ik daar niet ben. Net als dat mijn vader zal constateren dat ik dus niet bij Atsuya ben. Een diepe zucht verlaat mijn mond bij het idee dat die twee enorm tegen me gaan lopen schreeuwen zodra ik terug ben. Ik schud het van me af en stap op een rustig tempo, via het wandelpad, naar beneden. De afdaling van het wandelpad is gelukkig een stuk makkelijker dan wat ik gisteravond beklommen heb. Voor het laatste stukje, neem ik een binnendoor weg door het bos, richting de school. Dat is op dit moment de veiligste keuze, dan heb ik ook nog voldoende tijd om na te denken over een goed excuus. ‘Gevonden waar je naar zocht, Ice Queen?’ Ik stop direct met lopen en kijk verbaasd om. Mijn ogen worden groot als er een zwarte bal op me afraast. Uit reflex, haal ik uit naar de bal en schop het hard terug. De bal voelt zwaarder aan dan dat ik gewend ben, maar dat zorgt er niet voor dat hij minder hard langs de persoon voor me, heen raast. Een tevreden glimlach staat op zijn gezicht. De groenige ogen kijken me strak aan. ‘Ik heb niet gevonden waar ik naar zocht, maar zo te horen lijk jij meer te weten, Hiroto.’ Een schamper lachje verlaat zijn mond. Hij stapt naar de zwarte voetbal en gaat er met een voet op staan. ‘Ik zal een deal met je maken. Ik zal je vertellen wat ik weet, mits je van me wint. Durf je het aan?’ vraagt hij uitdagend. Ik lach schamper en kijk hem scherp aan. ‘Je bent wel heel vol van jezelf, laat maar zien wat je kunt.’

Reacties (1)

  • Luckey

    Dat word nog spannend!

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen