Foto bij H.37.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Dan, in het ritme van onze voetstappen, raakt mijn duim een van zijn gebarsten knokkels.
'Evan?' zeg ik, eerder automatisch dan dat ik er bewust van ben.
'Ja?' zegt hij en de grip van zijn hand wordt niet steviger of losser, maar toch anders.
Voorzichtiger, misschien, of met meer steun, meer vertrouwen.
'Ik...' even struikel ik over mijn woorden,' de volgende keer, hou dan op als je dat zou moeten doen.'
Om de boodschap kracht bij te zetten, tik ik met mijn duim net onder een van de ontvelde plekken, zodat hij weer wat ik bedoel, dat hij op de bokszak in zijn huis veel langer heeft geslagen dan gied was voor zijn handen.
'Je hoeft je geen zorgen over mij te maken.' zegt hij.
Duidelijk wel. schiet er door mijn hoofd, maar ik zeg het niet.
'Beloof het.' zeg ik en hoewel mijn stem trilt, is die scherp en helder.
Een seconde is het stil.
'Ik beloof het.'

Thuis aangekomen is het tegelijkertijd wel en niet donker, het donker van donkerpaars, blauw, rood en oranje dat zich mengt en de avond vormt.
Maar nu kan je dat niet zien.
Nu is het bewolkt.
Toch, terwijl Evan en ik naar binnen lopen, staat Ammay erop dat ze nog even buiten wilt blijven.
Ik doe mijn jas uit en Evan pakt hem voorzichtig uit mijn handen, waarna hij hem ophangt.
Ik glimlach een zacht bedankje naar hem en loop verder de ruimte in, niet echt zonder doel, maar gewoon om verder te lopen, om mijn voetstappen op de vloer te horen en mij af te vragen hoe het hier nu zo stil kan zijn, in de ruimte waar zo veel geschreeuwd en gegild is.
De hoofdpijn is niet weggetrokken, maar toch moet ik over minder dan anderhalf uur naar de ophaalplaats vertrekken, waar James Grint mij op zal halen.
Hij zei dat we vandaag gingen schieten, kijken hoe goed ik dat kan, waarna we een drugsdealer zouden sluiten met een andere groep en ik mijn deel van de opbrengst zal krijgen.
Mits ik het goed doe, het niet verknal, mijn baan weet te houden.
De koude lucht vult mijn longen en mijn hoofd bonkt.
Hoewel mijn maag gevuld is, mijn wonden niet veel pijn doen en ik met ergere hoofdpijn heb moeten leven, word ik opeens overspoeld door duizeligheid.
Niet een "ik raak ga flauwvallen duizeligheid" maar een vreemde, nieuwe soort, waarbij mijn lichaamsgewicht naar beneden lijkt te zakken en het voelt alsof mijn gewicht van mijn ene been naar het andere verplaatst en mijn lichaam zacht meeschommelt.
Mijn ademhaling is vreemd, mijn longen bewegen niet, tot ik om de zoveel tijd via mijn neus in Eem soort paniek adem naar binnen zuigt.
Het ontgaat Evan niet.
Ik voel zijn handen op mijn schouders.
Hij is sterk, dat wist ik, maar nu ik mij zo zwak voelt en zijn stem zo helder is als hij mijn naam zegt, lijkt hij sterker dan staal.
'Gioa?'
Ik kijk hem aan, met lege blik, niet helder, niet bewust.
'Gaat het?' het is de angst in zijn stem die mij terug de realiteit in rukt en ik knik.
'Ja', ik kijk een beetje weg, frons. Dan kijk ik hem weet aan en herhaal mijn antwoord, zekerder, nu,' Ja. Ik... gewoon een vreemde hoofdpijn. Een beetje duizelig, maar. Het valt wel mee. Ik moet gewoon even zitten.
Ik loop naar de bank en kruip in de hoek tegen de leuning aan.
Evan kimt naast mij zitten, houdt mij nauwlettend in de gaten.
Ik kijk hem niet aan.
En plots begint hij te praten, in de knoop, gefrustreerd.
'Het is niet eerlijk', zegt hij vol ergernis,' Het is niet eerlijk dat jij er duidelijk slecht aan toe bent en moet werken, terwijl ik leeg op de oneindige stapel geld die ik van mijn ouders geërfd heb. Het klopt niet. Het is niet eerlijk. Kan je.., kan je niet gewoon een avond vrij nemen? Even rusten? Jij hebt ook vakantie.' zegt hij, maar ik schud gelijk mijn zere hoofd.
'Nee!' het klinkt paniekeriger dan bedoelt en ik dwing mijn stem een octaaf en volumeknopje lager,' nee, dat kan niet. Zeker niet nu.'
Shit.
Waarom zei ik dat nou weer?!
"Zeker niet nu".
Ik voel hem bevriezen, nadenkend naar mij kijken.
'Wat bedoel je?'
Ik wil liegen, zou dat ook moeten, maar het lukt niet.
Wat wel lukt is een déél vanbde waarheid vertellen.
'Door bezuinigingen bij de supermarkt ben ik ontslagen en Bidsy's is gesloten. Maar het lukt. Ik heb wat extra uren weten te bemachtigen. Het komt wel goed.' ik pers de woorden eruit, ze rollen over mijn lippen.
'Hoe lang al?' vraagt hij en ik hoor een vleugje boosheid, verborgen achter het vraagteken.
Zou hij het echt erg vinden dat ik het nog niet verteld heb?
'Sinds gisteren.' zeg ik.
'Waarom zei je het niet?'
'Gisteren was je er niet en vanmorgen was je al zo overstuur over dat ik in elkaar geslagen ben door een aantal nietsnutten van school.' zeg ik, goed onthoudend dat hij absoluut niet mag weten dat het geen klasgenoten, maar leden van een drugsgroep waren.
Even zwijgt hij en ik ook en het is stil.
'En het komt goed?'
'Ja.' zeg ik, zachtjes, maar hij gelooft mij.
Het is stil en even sluit ik mijn ogen, ook al voel ik zijn blik die op mij blijft branden, me opneemt, scant.
Dan richt ik mijzelf op.
'Ik ga even naar Ammay.' zeg ik.
Hij helt mij overeind en beetje bij beetje realiseer ik mij dat hij mij zo lang mogelijk in de gaten gaat blijven houden.
Ik open de deur.
Ammay ligt voor de deur op het gras, op haar rug, haar handen op haar buik, haar haar naast haar hoofd.
Ze kijkt naar de lucht, het weinige licht weerkaatst in haar ogen.
Ik kom naast haar zitten en kijk ook omhoog, Evan doet hetzelfde en onze schouders raken elkaar.
'Gaan jullie trouwen? vraagt mijn kleine zusje dan opeens en ik maak een stikkend hoestgeluid.
Naast mij hoor ik Evan zachtjes lachen.
Hij kijkt mij met een opgetrokken wenkbrauw aan.
'Nou?' plaagt hij me.
Mijn gezicht wordt rood.
'Wat? Wacht... ik...' struikel ik over elk woord dat er bestaat,' nee. We gaan helemaal niet trouwen. We vinden elkaar niet eens... nou ja... ik bedoel... misschien wel, nee, maar...'
Mijn stem sterft weg.
'O.' zegt Ammay, bijna teleurgesteld en ik weet dat als ze dat echt was, ik iedereen zou trouwen die zij aanwijst, alleen om haar te laten glimlachen.
Dan lijkt het weer weg te sijpelen uit haar gedachten en ze staar weer naar de hemel.
Ik ga nu ook liggen, naast haar, starend naar de hemel, en eventjes later doet Evan het ook.
'Vind je de kleur van de lucht niet prachtig?' zegt Ammay dan, met een stem vol bewondering.
'Ik vind het vooral grijs.' reageer ik.
Ze kijkt me niet aan wanneer ze haar hoofd schudt.
'Dat bedoel ik niet. Nu is het grijs, maar ik heb het over de kleur die de licht kan hebben, achter de wolken misschien wel heeft. Dat jet bij zonsopgang van bijna zwart naar donkerblauw en naar roze overloopt, om dan zo lichtblauw te worden dat het bijna wit is. En hoe de zonsondergang toch klopt, van blauw naar oranje en rood, wat totaal miet op elkaar lijkt. En toch klopt het.'
Vind je de kleuren van de lucht niet prachtig?

Reacties (3)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    1 jaar geleden
  • Diago

    De plaatjes die je bij de intro doet vind ik heel mooi! Geeft vast een geode sfeer aan het verhaal!

    2 jaar geleden
  • BethGoes

    Mooi hoofdstuk!

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen