Foto bij Hoofdstuk 126; Pan

Pan haastte zich heen en weer. Ze had veel van de goden weer bijeen weten te krijgen. Het had haar veel moeite gekost om Zeus terug op Olympus te krijgen. Daarnaast waren Aphrodite en Mars nu ook weer in Olympus. De rest bleek moeilijk te vinden. Pan was al een paar weken aan het zoeken. Het verbaasde haar dat het zo lang duurde.
‘Wie weet waar Athena nu uithangt,’ zei Aphrodite. Ze at een aardbei. ‘Ze is zo verwart de afgelopen tijd.’
‘Als je wilt kan ik voor je zoeken.’ Mercury kwam dicht bij Pan staan.
‘Mercury, ze is verloofd,’ bromde Hephaistos. Hestia kwam aanlopen en dwong Mercury op afstand. ‘Verloofd,’ zei Hephaistos weer.
‘Jaja,’ mopperde Mercury.
Pan keek door het ronde vloer-raam naar beneden. Door de magie die zich in Olympus bevond, konden ze elk deel van de wereld bekijken en op alle plekken inzoomen. Het was niet vreemd dat, op deze manier, de goden iedereen konden opzoeken. Dat ze op deze manier verliefd werden op vrouwen die ze nog nooit in het echt hadden ontmoet.
‘Hoe kan het zijn dat jullie Hera hiermee zoeken, maar nog niet hebben gevonden?’ mompelde Pan.
‘Omdat die vrienden van jou haar verborgen houden!’ snauwde Zeus. Er klonk een donderslag.
‘Mijn Wachters houden haar niet verborgen!’ riep Pan hem toe. ‘Ze heeft zichzelf verstopt, dat kan niet anders.’ Pan verplaatste het beeld. ‘Een- vliegend schip. Dat zie je ook niet elke dag,’ mompelde ze in zichzelf. ‘Is dit- San Francisco?’ Pan hield haar hoofd schuin. ‘Hmmm. Bijzonder.’
‘H-‘ Pan draaide zich om. Zeus stompte Mercury neer, die gehaast opstond, om weg te rennen.
‘Ren maar, jij bange kip!’ schreeuwde Zeus hem na.
‘Wah-‘ Pan zuchtte. ‘Wat heb ik gemist.’ Zo nu en dan had ze momenten waarbij ze zo geconcentreerd was dat ze zich afsloot van haar omgeving.
Zeus stormde achter Mercury aan. Aphrodite keek geamuseerd toe, Ares zag er woedend uit, Vulcan keek Zeus na en Hestia zat op haar gemak een boek te lezen. Pan was al lang blij dat ze niet de enige was die zichzelf had afgesloten. Hestia leek er ook niets van mee te hebben gekregen.
‘Oh Pan, dat doet me eraan denken.’ Aphrodite kwam overeind en zweefde haast op Pan af.
‘Wat?’ vroeg Pan verward.
‘Ik wil dolgraag een aantal kapsels voor je bruiloft uitproberen. Dus waarom ga je niet rustig zitten, met je voetjes omhoog, dan doe ik mijn ding.’ Aphrodite knipoogde. Pan moest toegeven dat dat verleidelijk klonk. Ze was zo moe de laatste tijd. Pan knikte en nam plaats in een van de stoelen bij de haard. Aphrodite ging achter haar staan en ging rustig aan het werk.
‘Je zal hem wel missen.’
‘Apollo?’
‘Ja.’
Pan knikte ter antwoord.
‘Niet te veel bewegen liefje,’ zei Aphrodite warm. Ze bleef even stil, terwijl ze Pan’s haar bijeen verzamelde. ‘Hoe lang heb je hem nu al niet gezien?’
‘Pfff,’ zei Pan. ‘Tijd loopt tegenwoordig niet geheel synchroon voor mij.’
‘Niet?’ vroeg Aphrodite.
‘Nee,’ fluisterde Pan onder haar adem.

‘Pan!’
Pan verscheen onder de voet van de heuvel. Alathea stond daar, te samen met Rose. Ze hielden elkaar stevig vast, besmeurd onder bloed wat van henzelf en van elkander kon zijn.
Pan fronste. Hoe was ze hier beland?
Ze zocht haar geheugen af naar iets wat ze niet kon vinden.
‘Help,’ zei Alathea. Ze klonk alsof ze moeite had om het te vragen.
Pan liep op hen af. Haar ogen gleden over de twee dames, maar bleven uiteindelijk handen op Rose. In een flits zag ze het voorbij komen. Rose lichaam, onder een boom met rode bladeren, ingedeukt en gehavend. De druifranken die zich om haar heen wikkelde, rijkend naar boven. Haar ogen die open schoten. Haar lichaam dat verzwolgen werd door de planten.
‘Pan!’ Ditmaal was het Rose die sprak. Ze klonk schor. Ze had dood moeten zijn.
Pan keek rond. Waar was ze? Dit was niet de heuvel waar Rose haar lichaam lag. Dit was niet de tijd waar Pan haar leven had geleid, echter voelde het bekend. Vertrouwd haast.
‘Alstublieft vrouwe.’ Alathea’s smeekbede bracht Pan terug naar het probleem. Ze stapte op de twee dames af. Ze toverde ambrozijn onder haar mantel vandaan. Hoe het daar kwam kon ze zich niet herinneren. Ze schonk het aan de twee en stapte achteruit, om het tafereel in zich op te nemen.
Het beeld flikkerde, als een hologram. Een seconde, nauwelijks, zag ze de eettafel en haar familie. Niet alle goden waren aanwezig, slechts enkelen.
‘Pan,’ fluisterde een zachte stem in haar oor. Ze draaide zich om. Haar omgeving verdween en maakte plaats voor een nieuwe. Het dinerhal.


‘Voel je je wel goed liefje?’ vroeg Aphrodite zacht. Haar stem was nauwelijks hoorbaar boven het knetterende vuur.
‘Het gaat,’ antwoordde Pan. Op het moment voelde ze zich goed. Ze was moe, maar welgevoed en kalm. Ze had de afgelopen twee dagen geen vreemde tijdsprongen meer gehad. Ze kon zich niet herinneren dat ze dit ooit had gehad. Misschien had het te maken met Apollo’s cadeau aan haar: haar eigen verhaal in het verleden. Een mooi, maar onhandig geschenk. Misschien had Ira hier ook problemen mee gehad, maar had ze dit niet kunnen vertellen. De vraag was echter: Waarom nu? Had ze dit probleem gehad voor ze met Hunter in de schaduwwereld terecht kwam? Wellicht, maar dan was dat zeker uit haar geheugen verdwenen.
Pan had zo veel vragen en niemand die haar de antwoorden kon geven.
‘Als jij en Apollo getrouwd zijn,’ zei Aphrodite. Ze veranderde zo eenvoudig van onderwerp, alsof ze alles in de hand had. ‘Zijn er dan kinderen, in jullie toekomstbeeld?’
Pan lachte nerveus. ‘Kinderen. Wel- Ik- Ehm- G-Geen idee. Ik ben nog een beetje jong om daar mee te beginnen.’
‘Onzin,’ bromde Ares, die op de bank naast Hestia was gaan zitten. ‘In de Griekse én de Romeinse periode had je nu al lang een kind gehad. Wellicht zelfs twee.’
‘Ares,’ zei Aphrodite zacht, ze klonk waarschuwend.
‘Niet dat dat nodig is, natuurlijk. We leven nu in een totaal andere tijd,’ zei Ares snel. Hij keek Aphrodite aan, haast vragend of hij het goed had gemaakt hierdoor.
Hephaistos bromde. ‘Beter dat je nog niet aan kinderen denkt.’ Pan keek hem aan. ‘Ik geloof dat het nu te hectisch is. Wie weet wat er allemaal gaat komen.’
Aphrodite zuchtte. ‘Toch, zo’n kleintje zou toch geweldig zijn. Blond haar, zoals Apollo, jouw groene ogen, wie weet was ze allemaal wel niet zou kunnen.’
‘Blauw,’ zei Pan. Ze keek op. ‘Mijn ogen zijn- waren- blauw.’
‘Werkelijk,’ zei Aphrodite verrast. Pan knikte. ‘Blauw. Oh, dan zou het net een engeltje zijn zoals ze die op aarde uitbeelden.’ Aphrodite giechelde. ‘Dat zou prachtig zijn, niet?’
‘Ik denk het,’ zei Pan twijfelend. Ze zou misschien ooit een kind willen met Apollo, maar niet nu. Ze hadden eeuwen de tijd, sterker nog, ze hadden de tijd van de wereld. Ze konden zelf beslissen wanneer ze kinderen wilde, daar was geen haast bij.
‘Hoe zou je het dan noemen?’ vroeg Aphrodite door.
‘Dring het niet zo bij haar op.’ Hestia mengde zich plots in het gesprek. Ze sloeg het boek dicht en keek Aphrodite aan.
‘Ik dring niest bij haar op,’ zei Aphrodite. Haar gestalte flikkerde.
‘Dat doe je wel. Als Pan klaar is voor kinderen zal ze vanzelf gaan nadenken over kindernamen.’
‘Rosa,’ onderbrak Pan hen, voor Aphrodite op Hestia kon ingaan. ‘Ik zou haar Rosa noemen, naar Rose.’
‘Rose?’ vroeg Hephaistos, fronsend.
‘Ze was lid van mijn Wacht. Leidster. Naast Michael. Ze heeft veel gedaan voor veel mensen. Dus, Rosa.’
Er viel een stilte. Een onuitgesproken instemming om stil te staan bij Rose.
‘En als het een jongen is?’ Aphrodite boog zich langs Pan heen, om haar aan te kunnen kijken. Ze glimlachte stralend.
Hestia rolde haar ogen en sloeg haar boek weer open.
Pan grinnikte. ‘Daar zal ik het met Apollo over moeten hebben.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen