||Diana Cassandra Volturi

'Het is hem, Carlisle,' schreeuw-sis ik ongelovig als we in de auto zitten. 'Het is mijn broer.'
      Carlisle geeft geen antwoord, maar rijdt in plaats daarvan op een moordtempo de auto de weg op. Het is duidelijk dat hij boos op mij is en ik kan mezelf niet helpen om me een beetje schuldig te voelen. Natuurlijk is mijn missie mijn broer opsporen, maar de Cullens hebben me zo gastvrij en verwarmend ontvangen. Ik denk dat Carlisle echt dacht dat ik zou kunnen veranderen in een van hen. Maar het is eeuwen geleden dat ik mens was en menselijke gevoelens had. En ik ga ze nu niet of nooit niet meer aanzetten, want ze brengen alleen maar problemen. Bij het woord 'problemen' flitsen een paar donkerbruine met groene poelen voor mijn ogen en ik frons ongemakkelijk.
      'Carlisle, het spijt me, maar ik moest weten of mijn broer hier geweest is,' zeg ik verontschuldigend, terwijl ik zoveel mogelijk spijt in mijn stem probeer te stoppen.
      Carlisle geeft een toegevende zucht en zijn honingbruine ogen kijken me met een blik die ik niet begrijp aan. 'Natuurlijk begrijp ik dat, Cass, maar je liet je mensenschild zakken. Hoewel de rest het niet zag, zag ik wel hoe je ogen langzaam rood begonnen te kleuren. Heb je enig idee wat voor oorlog er zou uitbreken als de shapeshifters erachter zouden komen dat ik een vampier zo dicht bij hun geliefden heb laten komen?'
      'Uh, een hoop nare dingen?' gok ik.
      Carlisle schenkt me een wees-serieus-blik en ik voel me net een kind die op zijn plek wordt gezet door haar vader.
      'Ik meen het, het spijt me,' geef ik toe met een zuchtje. Dan schiet me ineens een vraag te binnen. 'Wie is die brede en lange wolf met zo'n extreem agressieve uitstraling?'
      'Paul, bedoel je?' vraagt Carlisle. Hij parkeert de auto voor het nog steeds oogverblindende huis en kijkt me geïnteresseerd aan.
      'Dat denk ik, ja,' antwoord ik afwezig. Paul is wel een passende naam voor zo'n jongen. Paul, Paul, Paul...
      'Wat is er met Paul?' vraagt Carlisle met opgetrokken wenkbrauwen terwijl we de auto uitstappen.
      'Ze is zijn inprent,' piept Alice ineens terwijl ze op vampierssnelheid aan komt rennen.
      Verbaast frons ik mijn wenkbrauwen. 'Ik ben helemaal niets van niemand,' mompel ik geërgerd. Er zijn een paar dingen die ik niet kan hebben, een daarvan is dat ik gek kan worden als ik iets niet begrijp, kan uitvoeren of snap en niemand het me uit wilt leggen. Ik kan het bijvoorbeeld ook niet hebben dat Felix tijdens de trainingen sterker is dan ik. En volgens mij had ik dat perfectionisme al in mijn mensenleven.
      Een vage geur van mensenbloed dringt mijn neus binnen en ik voel hoe mijn keel akelig begint te branden. Het is al weer een paar dagen geleden dat ik gevoed heb en misschien wordt het eens tijd dat ik er wat aan ga doen.
      Ik kijk Carlisle en Alice met een onschuldige glimlach aan. 'Terwijl jullie bespreken wat ik dus niet van wie dan ook ben, ga ik ergens ver, ver weg jagen.' En net zo snel als het licht ben ik verdwenen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen