Foto bij H.41.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
'Ik heb een theorie.' zeg ik.
Hij kijkt me dodelijk aan.
'Jij moet minder theorieën bedenken en meer leren schieten.' zegt hij met harde, scherpe stem.
'Ik heb een theorie.' herhaal ik, op precies dezelfde manier, zonder mij iets aan te trekken van zijn waarschuwing.
Hij zucht.
'Laat maar horen.' zegt hij.
Ik laat mijn pistool zakken.
'Jij vertelde mij dat je deze mensen opgevangen hebt om ze te helpen. Ik heb dus een theorie, dat iedereen dat kleine beetje in zich heeft dat mensen wilt redden. En ik denk ook dat het oké is als diegene jezelf is...' zeg ik.
Hij pakt mijn pistool af, alsof het een straf is, als een speelgoed van een kind afpakken, maar dat pistool is geen speelgoed en de kans om een kind te zijn is mij niet gegund.
'Dus je zegt dat ik dit uit egoïsme doe?' sist hij, niet in een schreeuwerige woede, maarin een harde, koude versie ervan, omdat ik hem nu wijs op een persoonlijk aspect, een aspect dat je alleen kan weten als je doorhebt hoe iemand in elkaar zit.
En dat bevalt hem niet, net zoals mij dat niet zou bevallen, maar ik trek mij niet terug.
'Ja... nee, ik bedoel; een soort van', ik haat dat ik stotter,' deels. Ik geloof dat jij er ook baat bij hebt. Op de een of andere manier.'
Hij verstijfd bijna als ik hem in mij opneemt en ik voel mij even heel slecht of onaardig dat ik hem dut aandoe, maar ík heb in ieder geval niemand bedreigd met een pistool.
'Is het het geld? Meer mensen, meer handel. Een soort bedrijf?' ik schud mijn hoofd als ik aan zijn houding zie dat dat het geval niet is,' Nee, dat is het niet.'
En dan besef ik het en voel ik mij nog slechter dat ik hem in deze situatie heb gedrongen.
'Het is het gezeldschap', mijn stem is zacht en trillerig en vol schuldgevoel en verbazing tegelijkertijd,' Je bent eenzaam. Je... je wilt niet alleen zijn.'
Hij kijkt weg en voor het eerst krijg ik het gevoel dat hij zijn best moet doen om niet te huilen, ook al laat hij het zo mijn mogelijk merken.
'Fijn. Nu weet je het. Blij?' met een harde beweging om het trillen van zijn hand te maskeren duwt hij het pistool in mijn handen,' Opnieuw.'

Om half twaalf moeten we vertrekken.
Kenny, Mitch en Phil gaan drugs inkopen bij diezelfde bende van vrouwen waarmee ik een aanvaring gehad heb - vandaar dat ik niet met hun mee ga - en ik ga met James en Max een drugsdeal doen met een groep van een of andere Geoff LeNoir.
Ik zit in de auto, in de passagiersstoel.
James rijdt, Phil zit achterin, stil - zoals altijd - en met een vreemde gloed in zijn donkere ogen, als een lamp die in plaats van licht duisternis schenkt, maar toch op een manier die beschreven moet worden als iets wat brandt of schijnt.
Ik kijk naar mijn handen op mijn schoot, samen met het zwarte pistool waar ik redelijk goed mee om kan gaan.
Ik weet niet waarom het me stoort dat James enkel "mocht het nodig zijn" zei toen hij het aan mij gaf in plaats van dat hij daar nog "waarschijnlijk hoef je het niet te gebruiken, maar..." voor plakte.
Het betekend niks.
Natuurlijk hoef ik het niet te gebruiken.
Natuurlijk niet.
Ik ben veilig.
Niemand kan mij wat maken.
Ik kijk naar James, zijn strakke kaaklijn, waarvan hij de spieren onregelmatig aan- en ontspant.
Ik kijk naar zijn houding als hij de bocht om gaat.
In de verte hoor ik dronken geschreeuw en gelach en ik probeer niet zenuwachtig of bang te worden.
Niet omdat ik denk dat zij degenen zijn waar wij mee moeten dealen, want dat zijn ze niet, maar omdat - naast de mensen met wie we moeten dealen - ook zíj buiten zijn.
Dan brengt hij de auto tot stilstand en stapt uit.
Ik doe hetzelfde.
De lucht is koud en scherp, pijnlijk in mijn longen.
Ik zie dat Phil een drugs van het een of het ander vasthoud en naast James loopt.
Ik volg schuin achter hen.
We zijn bij een stil steegje, met met graffiti bekladde muren en zelfs puur de sfeer maakt het eng.
Maar ik laat het niet merken.
Rechte rug, opgeheven kin, rustige ademhaling.
Daar in de verte zie ik de mannen staan.
Het zijn er vier.
Vier tegen drie.
Mijn hartslag stijgt, maar ik duw hem weet naar een rustiger tempo.
Rechte rug, opgeheven kin, rustige ademhaling.
Als we dichterbij komen zie ik glimpen van hun gezichten.
Een man achteraan, verschuilt in de schaduw van hun capuchontrui, lijkt mij van buitenlandse oorsprong en heeft een korte baard, eigenlijk niets meer dan uit de hand gelopen stoppels.
Onder zijn donkergrijze mouw zie ik de rand van een tatoeage kronkelen, ophoudend halverwege de rug van zijn hand.
Hij is gespierd, maar niet te gespierd - en flexibel, dat is meer dan duidelijk.
De man naast hem heeft zijn capuchon zo ver over zijn hoofd getrokken dat ik alleen eigenlijk het puntje van zijn kromme, meerdere malen gebroken neus kan zien.
Hij is sterk, groot, ik kan zijn zware ademhaling bijna horen.
De twee mannen voorop hebben allebei hun capuchon naar achteren geslagen.
De een heeft gemillimeterd haar dat - als ik zou moeten gokken - normaal gesproken rood-bruin haar zou hebben gehad.
Een van zijn ogen is felblauw - als de zee - en de andere is blind geworden door een haast indrukwekkende uitbarsting van geweld die zich als een groot litteken op zijn gezicht neergestreken heeft.
De ander heeft matblond, half lang haar, dun en vet, met een haast spookachtig bleke en doffe huid, waardoor zijn bijna zwarte ogen extra opvallen.
In zijn nek zie ik vaag een tattoo die ik niet helemaal kan plaatsen.
De man met het litteken stapt naar voren.
‘Grint.’ gromt hij bijna.
Zijn stem is helder, maar op een enge manier.
Het helder als een-zee-met-water-waar-je-de-haaien-kan-zien-zwemmen-helder.
‘Geoff LeNoir.’ antwoord James traag en ik ruik de haat.
Als hij hem haat, waarom dealt hij dan met hem?
Zijn kaakspieren zijn aangespannen, houding allesbehalve relaxed.
Ze mogen elkaar niet.
Deze ontmoeting is puur zakelijk.
Dan kijkt Geoff naar mij.
‘Wat voor speeltje heb je nu weer meegenomen?’ zegt LeNoir spottend.
James laat een geërgerd geluid horen.
Net wanneer hij kan antwoorden, stap ik naar voren.
Midden in mijn stap doe ik mijn capuchon naar achteren, waardoor ze mij kunnen zien.
‘Waar?’ zeg ik, alsof ik niet weet wat hij bedoelt, dat hij het over mij heeft.
‘Gioa’, James’ stem klinkt bijna paniekerig,’ kom hier.’
Maar dat doe ik niet.
Ik kijk Geoff LeNoir aan en hij kijkt terug en ik voelt haat opborrelen, een koele kilte.
Ik mag hem niet.
Waarom precies, weet ik niet, maar ik mag hem niet.
Waarschijnlijk omdat hij een drugsdealer is.
Waarschijnlijk omdat hij mij bijna uitkleed met zijn ogen, ook al moet hij wel zien dat ik minderjarig ben.
Ik mag hem niet.
Dan kijkt de man voor mij weg, over mijn schouder, naar James.
‘Wat een lief, schattig, jong ding’, spreekt hij traag,’ ben je op haar net zo gesteld als Lily?’
De haat maakt plaats voor verwarring.
‘W-wat?’ zeg ik en de fout die ik maak is mij omdraaien, James aankijken.
Ik zie de paniek op zijn gezicht als het allemaal misgaat.
Ik voelt hoe ik vastgegrepen wordt.
Het is de man met het matblonde haar en de donkere ogen.
‘En?’ spot Geoff opnieuw,’ Ben je op haar gesteld?’
Dat is het moment waarop ik het pistool tegen mijn slaap voel.

Reacties (4)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    1 jaar geleden
  • AnneFrank

    Fking eng!!!

    2 jaar geleden
  • Diago

    O ohnee nee NEE NEEEEEEEEEEEEEEEE

    2 jaar geleden
  • BethGoes

    O mijn God!!! Nee!!! NEEEEE!!!
    Gioa gebruik je pistool!!!

    2 jaar geleden
    • DeNaamIsGideon

      Waarschijnlijk kan ze er niet bij, en iemand die een pistool tegen je slaap houd is altijd sneller.

      2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen