Foto bij 072 - Lost in the City of Light

Yarea
Zonder enig geluid te maken liep ik naar binnen. Heel zachtjes duwde ik de deur open en glipte naar binnen. Met mijn gespannen boog in de aanslag liep ik de gang ik. De muren waren van lichtbruin hout en de ruwe houten vloer kraakte. Zo voorzichtig mogelijk sloop ik verder zijn huis in. Er hing een aangename warmte en de geur van een stoofpot drong mijn neus binnen. Ik gluurde de hoek om, maar trok me meteen weer terug. Hij zat daar. Ser Garaint zat daar in zijn kamer, ik was klaar om toe te slaan. Hij zat er onbeschermd en onbewapend. Ik ademde even diep in en uit, sloot mijn ogen en dacht na. Het is nu of nooit. Hij zat daar onbewapend, ik kon hem elk moment aanvallen en vermoorde. Ik dacht er over na. Het was laf, heel laf om iemand zo te vermoorden. Hij zou zich nooit waardig kunnen verdedigen. Maar mijn woede nam de overhand. Ik legde een pijl op mijn pees en trok de pees naar achter. Zo langzaam mogelijk om het gekraakt van de pees te vermijden. Met mijn pijl en boog in de aanslag sprong ik spontaan de hoek om. Mijn handen verstijfde toen ik de hoek om sprong. Een paar hartslagen lang bleef ik Ser Garaint roerloos aankijken. Mijn ogen wijd open van schrik. Hij zat niet alleen. Op zijn knie zat een klein meisje wat met grote, bang en onschuldige ogen mij aankeek. Naast hem stond een jongetje, wie iets ouder leek dan het meisje. Ook hij keek me met grote, angstige ogen aan. Mijn mond ging open, maar de woorden bleven in mijn keel steken. Ik kon niet schieten. Ik kon het niet. Verdomme! Hij zat hier met twee onschuldige kinderen. Het was laf om hem hier neer te schieten. Ik kon het zijn kinderen niet aandoen. Ser Garaint zelf keek niet angstig. Hij keek mij emotieloos aan en schoof zo voorzichtig mogelijk het jongetje achter zijn stoel.
"Oh," was het enige wat ik uit kon brengen.
Ik liet mijn boog zakken. Mijn wangen werden vuurrood, ik schaamde mij. Ser Garaint bleef me aankijken. Enkele seconde bleven we zo staan, tot ik besloot om weg te gaan. Ik wilde de deur uitlopen, maar draaide me op het laatste moment om. Ik keek Ser Garaint aan en legde een vinger tegen mijn lippen. Hij leek mij te begrijpen, ook hij legde een vinger op zijn lippen en knikte naar mij. Zo snel als ik kon liep ik de deur uit. Ik hoop dat hij mij begrepen had. Snel borg ik mijn boog op en rende zo hard als ik kon weg, weg van deze plek. Deze gebeurtenis zou altijd tussen ons blijven. Ik schaamde me dood. Ik had hem bijna op de meest laffe wijze vermoord. Het tafereel van de man met zijn twee kleine kinderen had mij zo ontroerd dat ik niet had durven aanvallen. Ik kon dat zijn onschuldige kinderen niet aandoen.
Ik sloeg een donker steegje in. De gebeurtenissen van net liet ik even voor wat het was, mijn gedachten gingen weer naar Amras en Nafal. Ik moest Nafal zien te vinden. Hij was onze enige hoop. Wat zou Amras meemaken nu? Hij was gevangen. Gevangen door de bewakers van de Lichte kant. Wat er ook met hem zou gebeuren, het zal vast niks goeds zijn. Ik hoopte vurig dat ik Amras ooit nog levend en wel terug zou zien. Maar de toekomst zag er somber uit.
Rusteloos dwaalde ik door de stad. Ik had werkelijk geen flauw idee waar ik zoeken moest. Nafal had ergens een herberg geregeld, althans, dat hoopte ik. Er was zo weinig kans dat ik hem ooit nog terug zou kunnen vinden. In deze grote en vreselijke stad. Nafal had nooit gezegd wáár hij een herberg zou regelen. In welke van de tientallen herbergen van deze stad zou hij zitten? Ik had werkelijk geen idee. Tranen prikte in mijn ogen. Ik snikte een keer. Woedend probeerde ik mijn verdriet te verbergen. Ik wilde niet toegeven aan mijn verdriet. Ik haalde een keer diep adem, maar het hielp niet. Ik kon nergens anders meer aan denken. Ik liep door een vreemde stad, in de Lichte kant nota bene. Ik had geen idee waar ik heen moest. Amras was gevangen. Nafal, onze enige vriend, was nergens te bekennen en ik had geen idee waar ik hem moest zoeken. De wolven waren ergens buiten te stad, opgesloten in een huis. Er liepen overal bewakers rond in deze stad en er was een grote kans dat deze nu op zoek naar mij waren. Grote kans dat die bewakers mijn herkend hadden en dat er nu een klopjacht gestart was naar een meisje met rode krullen. Het was hopeloos. Hoe zou ik ooit levend uit deze stad komen? Hoe zou Amras ooit weer op vrije voeten terecht komen?
Ik beet op mijn lip en sloeg het zoveelste zijstraatje in. Ik had werkelijk geen idee meer waar ik me bevond. Ik had mijn kap over mijn hoofd getrokken terwijl ik door de donkere straatjes liep. De zon was inmiddels al onder gegaan en het was donker in de stad. Het enige licht kwam van het Licht wat hoog boven de stad uit torende. Een fel blauw licht straalde uit de toren. Dat vervloekt licht! Ik voelde een vlaag van woede opkomen en trapte een steentje weg. Uit mijn ooghoek bewoog iets, mijn hart sloeg over en ik keek opzij. Een donker gedaante van een kat schoot weg. Ik zuchtte, niks aan de hand. Ik vermeed mensen, uit de angst dat ze me herkende en ik ook opgepakt zou worden. Doelloos dwaalde ik rond. Ik wist niet meer waar ik was, waar ik heen moest en ook niet hoe lang ik hier al rond dwaalde. Het enige wat ik me besefte was dat ik moe was, doodmoe, en dat ik me leeg en verslagen voelde. Een traan biggelde over mijn wangen, ik voelde me hopeloos verloren.
Ik liep de hoek van een steegje om. Bij het zien van een silhouette wat op me afkwam, verstijfde ik even van angst. Na een hartslag stil gestaan te hebben besloot ik om door te lopen. Ik moest me absoluut niet verdacht gaan verdragen, dat zou alleen maar meer aandacht trekken. Alsof er niks aan de hand was liep ik door. Ik naderde het persoon wat in me tegemoet kwam lopen. Vlak voor ik hem passeerde bleef ik abrupt stilstaan.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen