Ik word wakker, en zie dezelfde saaie muren. Langzaam schuif ik mijn hand onder mijn kussen en pak mijn notitieboek, met de vulling van een pen begin ik te schrijven.

‘DE EENZAAMHEID

Laat me je voorstellen aan de eenzaamheid
Ze lacht zo lieflijk
Met haar helderblauwe ogen lijkt ze de onschuld zelve
Maar vergis je niet

Waar zij eerst rust en stilte zaait
Zal zij later verdriet en angst oogsten
Ze pakt je bij de hand en loopt steeds verder en verder
Met jou de vergetelheid in’


Ik berg mijn notitieboek en pen vulling op wanneer ik voetstappen op de gang hoor, ik ben al 2 minuten te laat voor ontbijt.
Het gebons op de deur gaat gepaard met Rolands bromstem die me wijst op de tijd, “opschieten Cloë, of je eet helemaal niks vandaag.” deelt hij mede voor hij weer weg loopt. Ik heb toch geen honger, denk ik bij mezelf. Ik stap uit bed en gris mijn vest van de grond, hetzelfde vest dat ik al 3 jaar non stop draag. Alleen als het gewassen wordt, dan even niet. Dat was nog een probleem hier, woensdag wasdag, en vrijdag krijg je je schone kleren terug. Ik heb ze zover gekregen dat ik mijn vest met de hand mag wassen, wanneer de rest geniet van hun vrije tijd. De leiding is al lang blij dat ik überhaupt iets doe.
“Cloë! Laatste kans, als je nu niet komt eten dan eet je de hele dag niks.” Galmt Roland’s stem door de gang. Best, ik kom al. Ik zet mijn lichaam tegen de zware metalen deur, met behulp van een beetje zwaartekracht gaat de deur net ver genoeg open. Ik glip tussen de opening door de gang op, het TL-licht prikt in mijn ogen.
Mijn inrichting genoten zitten elkaar alweer heerlijk actief uit te dagen.
Ik kijk iedereen 1 voor 1 aan, om te peilen wat ze denken. Mijn blik blijft rusten op Anna, haar bruine haar is een en al klit. Ze draagt een zwart jongens vest waarin een gat zit bij haar linker schouder. Ze vangt mijn blik op met haar groene ogen en ritst uitdagend haar vest wat verder open. Haar roze BH wekt ook de interesse van Mike die het beeld onbeschaamd in zich opneemt. “Anna! Doe die rits dicht!” buldert Roland. Anna lacht, maar gaat niet tegen Roland in zoals ik dat van haar gewend ben. Ze knipoogt naar me. Ik kijk nog een keer de tafel rond en loop dan naar mijn vaste plek aan het eind van de tafel, Roland komt achter me aan en drukt een potje pillen in mijn hand. Het zijn geen echte pillen, placebo's, speciaal voor mij. Hij zou het net zo goed ook aan de rest kunnen geven, niemand krijgt toch de juiste medicatie binnen. Suus en Guus ruilen meestal om, Anna ruilt met Maxime en Mike geeft ze gewoon weg. Ik hoef geen medicijnen, er is niets mis met mij.
Ik sla het potje met pillen in een keer achterover. “Goedemorgen schone slaapster” grinnikt Anna “Goedemorgen” brom ik terug. Ik neem plaats aan de kopse kant van de tafel, en schuif mijn stoel niet aan. Ik hang wat in de stoel, en neem de situatie in me op.
Mike is op brute wijze zijn broodje aan het neersteken, Anna scheurt de korsten van haar brood als een leeuw die het vlees van zijn prooi af schud, Maxime slaat steeds zenuwachtig haar ene been over haar andere been en dan weer andersom, Suus en Guus zijn vrolijk in gesprek en Roland kijkt me strak aan. Ik zal wel iets verkeerd doen.
Ik pak een mes van tafel. “Cloë!” Roept Roland in paniek. “Om boter mee te smeren.” Zeg ik zonder hem aan te kijken, en steek het mes in de boter. Roland ontspant zich een beetje en kijkt toe hoe mijn brood verdrinkt in de hagelslag, met behulp van Suus die het pak boven mijn broodje leeg rammelt. Suus loopt achter ons langs weer terug naar haar stoel, wat voor Mike blijkbaar een uitnodiging is om haar op de kont te slaan. “Guuhuus!” Huilt Suus terwijl ze naar haar broer rent. Guus stapt op Mike af, “Blijf van mijn zusje af jij vuile…” Maar Roland onderbreekt hem. “Zo is het genoeg, allemaal naar jullie kamer!” Commandeert hij. Ik grinnik, waarop Mike een mes in mijn richting gooit, ik doe geen moeite om het te ontwijken. Het mes schampt mijn linker boven arm en laat een kleine snede achter, ik kijk er vol bewondering naar. “Mike! Naar je kamer! Cloë, EHBO nu!” Het is maar een schrammetje denk ik, terwijl ik met mijn vinger de bloeddruppeltjes over mijn arm uitveeg. Ik sta op en loop naar Rolands kantoor, de deur staat open.
In het kantoor zit een vrouw, jaar of 20 schat ik, 24 op zijn hoogst. Ze heeft haar lange blonde haar in een staart gebonden, en haar geruite blouse dicht geknoopt. Ziet er netjes uit. Ze schrikt van me als ik binnenloop, ik zal er ook wel mooi uitzien met die bloed vegen. Ik schenk haar in eerste instantie geen aandacht en trek een lade open in het bureau. “Meisje, wat ben je aan het doen?” Vraagt de vrouw. Haar stem bibbert een beetje, alsof ze niet goed weet wat te doen. Ik negeer de vraag en rommel verder tot ik de verbanddoos heb gevonden, en doe de lade weer dicht. Anders dan de verbanddoos heb ik ondertussen ook een sleutel in mijn vestzak laten glijden. Ik zet de verbanddoos op tafel dep mijn wond met een watje jodium, het brand maar dat deert me niet. De vrouw kijkt me aan met een verafschuwende blik, maar dat is haar probleem. Als de wond schoon is, pak ik een reep pleistermateriaal en knip ik het op de juiste grootte. De vrouw observeert me in stilte, als ik de pleister over de schram heen plak. “Deze is lang niet zo groot als die op mijn polsen.” grap ik als ik langs haar de deur uit loop. Ze huivert. Ik loop grinnikend naar mijn kamer met mijn handen diep weggestoken in de zakken van mijn vest, het is hier zo slecht nog niet. Na een korte krachtmeting met de deur, loop ik mijn kamer weer in. Niet de meest geruststellende ruimte. De muren zijn van cement, en niemand heeft de moeite gedaan om ze te behangen of te verven. Er zitten barsten in, van ouderdom denk ik, of misschien had de persoon voor mij een serieus woede probleem.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen