Pen, papier en een envelop. vandaag gaan die 3 dingen me een beter mens maken. We zijn weer aangekomen bij het meest geliefde onderdeel van de dag, groepstherapie. We zouden eigenlijk allemaal een andere soort moeten hebben, maar individuele therapie kost nu eenmaal veel tijd en geld wat we niet waard zijn. “Jullie schrijven een brief aan jezelf van het verleden, zodat je acties kunt voorkomen die je hier hebben gebracht.” Luid Rolands opdracht.

Een compleet nutteloze opdracht voor iemand die geen wetten overtreden heeft, maar in een gesticht is gepropt voor haar staat van zijn. Maar gezien deze sessies verplicht zijn schrijf ik:

Lieve Cloë,

je krijgt een zusje.

Zodra ze er is, ben je je moeder kwijt.
Luister naar me, als ze je vraagt om te koken vergiftig haar dan. Ze gaat je kapot maken, ze gaat alles van je afnemen wat je lief hebt. Lees ze niet Cloë, alle E-mails die ze je stuurt. Lees ze niet.


Die laatst geschreven woorden blijven door mijn hoofd zweven, lees ze niet. Onwillekeurig klinkt er een stemmetje in mijn hoofd: "Je bent niets vergeleken met Daphne, je kan niks en zij kan alles. Denk je dat ook maar iemand je zou missen als je zou verdwijnen? Niemand, geen kip zou je missen." Ik slik, er prikken tranen achter mijn ogen die ik probeer weg te knipperen. Als dat niet lukt loop ik de kamer uit, Roland schreeuwt me nog iets na maar ik hoor het al niet meer.
Hoeveel tijd er voorbij is weet ik niet. Het zou uren geduurd kunnen hebben, maar voor hetzelfde geld is Roland na de sessie mijn kant op gekomen. In ieder geval staat hij nu in de deur opening, zijn handen in zijn zij en een kloppende ader in zijn hals. Daar kan je aan zien dat hij boos is. “Cloë” zegt hij op luide toch verrassend kalme toon. Hij begint geen preek zoals ik verwachte maar kijkt me zwijgzaam aan. “Wat moet ik toch met je” Dat laatste zegt hij zo zacht dat ik het gevoel krijg dat het niet voor mijn oren bedoeld was. “Afwasdienst” zegt Roland luid, waarna de zware deur van mijn kamer in het slot valt.
Ik plof neer op mijn bed met mijn gezicht in mijn kussen, door de vering van het metalen bed stuiter ik nog even op en neer. Het kussen smoort mijn gevloek en geschreeuw, het is niet eerlijk! De dekens liggen als een prop onder mij en drukken in mijn buik, het is oncomfortabel maar niet vervelend genoeg om er iets aan te doen. Dat heb ik wel vaker, dat ik de energie niet heb om iets te doen aan die kleine ergernissen. Bijvoorbeeld als ik in bed lig en ik moet plassen, dan heb ik geen zin om onder de warme dekens vandaan te komen en Magda, Donna, Roland of wie dan wakker te maken zodat ze me naar de WC kunnen begeleiden. Thuis was het makkelijker, maar ook daar verruilde ik de warmte van mijn bed liever niet voor het koude linoleum van de badkamer vloer.
Uit eindelijk rol ik mijn bed uit omdat iemand op de deur klopt. “Cloë, mag ik even binnen komen.” vraagt een vrouwenstem op een ietwat dwingende manier, maar de kleine trilling in haar stem verraad de onzekerheid. “Daar heb je mijn toestemming niet voor nodig.” Brom ik terug. Ze zal het als uitnodiging hebben opgevat want ik hoor de sleutel in het slot draaien. Ik lig op mijn rug op de grond met mijn armen en benen wijd alsof ik een sneeuwengel gemaakt heb. Een houding die ze schijnbaar niet verwachtte want ze slaakt een gesmoord gilletje, ik grinnik. "Cloë, waarom lig je op de grond?" vraagt ze geschrokken. "Lig jij nooit op de grond?" is mijn nuchtere antwoord. Ze lijkt even van haar stuk gebracht, of misschien valt er een stilte omdat ze nadenkt. "Nooit met opzet." zegt ze dan op een bedenkelijke toon. Ze loopt naar me toe en ik laat haar me overeind helpen. Ze zet me neer op de rand van mijn bed en komt naast me zitten, ze zegt niks en ik luister naar haar ademhaling. Toen ze binnenkwam ging het zo snel dat je haar hartslag bijna kon horen, nu gaat het steeds langzamer. Ze heeft haar handen op haar buik gelegd, waarschijnlijk om haar ademhaling daar heen te sturen. Of misschien is ze zwanger, ik grinnik om de gedacht en ze kijkt op. Alsof ze nu pas beseft dat ik er nog steeds ben. Ze zegt nog steeds niks, maar kijkt me vragend aan. "Wat?" is het enige woord dat ik uitbreng. "Ik hoorde dat je weg liep bij de sessie vandaag, mag ik vragen waarom?" vraagt ze half autoritair, half onzeker. "Waarom zou ik jou wat vertellen? Ik ken je niet eens." Ze zegt dat ze Donna heet, de vrouw met haar lange blonde haren in een paardenstaart. Even overweeg ik om te vertellen dat de emoties me te veel waren geworden, en ik tijd voor mezelf nodig had. Ze gaf me een veilig gevoel, iets wat noch Roland, noch Magda ooit gelukt was. Mensen als Donna bleven echter niet lang rondhangen hier, de anderen pestten ze weg. Magda bijvoorbeeld, als iemand mij een wekker had gegeven die mijn handen zou verbranden wanneer ik hem uit wou zetten zou ik ook ontslag nemen. Hoe dan ook, Donna in vertrouwen nemen was op het moment geen goed idee. Voor hetzelfde geld deed ze dit werk net als Roland om het geld, niet om ons. Voor velen zijn we dossiernummers, Magda had me ooit 9787 genoemd tijdens het ontbijt. Donna keek me nog steeds aan, wachtend op een verklaring van mijn gedrag, ik koos iets vaags. "Ik was er wel klaar mee." zei ik monotoon. "Doe je dat vaker?" vroeg Donna voorzichtig. "Ja" zei ik. "Ja dat doe ik vaker." en ik keek haar strak aan.



Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen