Foto bij 2.Sherfield 1645

‘Nog een beetje blauw op dit plekje…’ Dylan pakte zijn verfkwast en dipte hem in een klein potje met blauwe verf. Voorzichtig plaatste hij het puntje van zijn kwast op het doek voor hem. Hij keek op en zag achter het doek de schepen rustig klaarstaan voor de vaart, vastgebonden met dikke touwen aan het dek. Hij droomde ervan om op een schip zoals deze te varen op een dag. Hij zou naar plekken gaan die hij nog nooit heeft gezien, met zijn schildersezel bij de hand, om de essentie van al deze plekken vast te leggen op het doek. Iets vast te leggen wat nooit zal vergaan, zelfs niet in zijn herinneringen. ‘Daar ben je!’ Hij draaide zich om en zag zijn kleine broertje over de kade naar hem toe lopen. ‘Ik heb je overal gezocht!’ ‘Ik denk dat je een beetje geobsedeerd bent met al dat verven van je, niet?’ Dylan lachte en wees naar het schip dat hij op het doek bijna af had. ‘Zie je dat, mijn kleine broer? Dat is de Belvidera. Het is een schip dat ik al een tijdje aan het bestuderen ben. En nu is hij eindelijk gestrand op onze haven!’ ‘Dus?’ vroeg zijn broertje. ‘Het lijkt erop dat je ergens naartoe wilt.’ Dylan draaide zich om naar zijn broertje. ‘Je hebt gelijk, mijn kleine man. Dat schip is het enige schip dat stopt in Laketown.’ Zijn broertje trok zijn wenkbrauwen op. ‘Laketown zeg je? Nog nooit van gehoord. Wanneer en hoe wil je daarheen gaan? Ik denk niet dat je niet zomaar aan boord van een schip mag stappen en weg mag gaan ermee. Ik bedoel, wie moet er dan zorgen voor Hanni?’ Dylan lachte weer en klopte zijn broertje op zijn schouder. ‘Jullie gaan mooi met mij mee, zo klaar als een klontje. ‘Geen sprake van, mannetje. Ik raak niet verzeild in jou verfwaanzin. Ik weet hoe het gaat. Ik moet met jou mee en het enige wat je doet is wat zitten en alles verven wat je ziet. Ik blijf hier. Ik zal bij onze tante blijven.’ Hij had een punt, dacht Dylan. Hij wist dat hij het in zijn eentje prima zou redden daar. ‘Je hebt gelijk..’ zuchtte Dylan. ‘Je vind het saai als ik hier in ons thuisstadje ga verven. Stel je eens voor hoeveel ik vast kan leggen in een geheel nieuwe stad!’ Nu moest zijn broertje ook lachen. ‘Daar heb je gelijk in… Oh nee! Ik moest je roepen voor het eten van onze tante! Ik wed dat het nu koud is… ik vergat de tijd.’ Dylan lachte. ‘Laten we maar snel gaan dan.’ Hij begon zijn spullen in te pakken en samen liepen ze het dorpje in. Hij wierp een blik over zijn schouder op de Belvidera en volgde zijn broertje toen naar het huis van zijn tante.




Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen