4.
Deel twee: Deeply Rooted

Het verleden - vijfentwintig jaar geleden (1999)

Het eerste lijk werd gevonden in Atlanta. Steekwonden, kneuzingen, afgeknelde ledematen en hals, tekenen van verkrachting - het gebruikelijke, als je het destructieve patroon van een gewelddadige crimineel zo kon noemen. Wat niet gebruikelijk was, waren de sporen van gehydrateerd calciumsulfaat, in de volksmond beter bekend als gips, die op de huid en in het haar van het slachtoffer waren aangetroffen en het feit dat de moordenaar het grootste deel van het lange blonde haar had afgeknipt en meegenomen.
      Er werd volop gespeculeerd. De grondstof kon worden gebruikt voor het maken van gebrand gips, als decoratiemateriaal en als meststof, waardoor er niets zinnigs te zeggen viel over de locatie van de moord of het beroep van de dader. Maar of het misdrijf nu was gepleegd door een boerenknecht of een beeldhouwer, het resultaat was allesbehalve een kunstwerk. Barry Parker’s maag draaide ervan om, waardoor hij ‘ontgroend’ werd op de afdeling, een aanleiding voor grimmige humor voor de andere rechercheurs en voor hem een aansporing de zaak koste wat het kost op te lossen.
      Het tweede lijk werd een maand later gevonden, twintig kilometer bij het eerste vandaan. Het vertoonde dezelfde ‘handtekening’, al was er een verschil. Het slachtoffer had kort haar gehad en deze keer had de moordenaar met chirurgische precisie haar gehele scalp verwijderd, met huid en al. Ofwel het feit dat ze kort haar had gehad, had hem tot razernij gedreven, of hij had simpelweg geen moeite willen doen zulke korte plukjes af te knippen.
      Parker, die had gedacht dat hij eelt op zijn ziel had gekregen na het eerste lijk, moest opnieuw overgeven. Toen hij zijn mond had gespoeld, klapte hij zijn notitieboekje open en noteerde de details. Ondanks dat psychologie tijdens zijn studie zijn hoofdvak was geweest en hij een twaalf weken durende cursus bij de FBI-academie had gevolgd, kon hij weinig meer concluderen dan dat het de dader om het haar te doen was geweest.
      Het derde lijk bevestigde dat de recherche van Atlanta met een ernstig probleem zat en de enige gevolgtrekking die Parker had kunnen maken, was dat in de wirwar van kleine misdaden die impulsief en ronduit dom waren, ze eindelijk op een intelligente crimineel waren gebotst.
      Twee weken later, midden in een hittegolf die zijn eigen dodelijke kracht had, werden er in Florida vier lijken gevonden met dezelfde kenmerkende handtekening.
      Parker reisde erheen om zaken kort te sluiten en informatie te delen. De moordenaar beperkte zijn activiteiten niet langer tot Georgia, maar kennelijk had hij een voorkeur voor de oostkust en het leek erop dat hoe heter en klammer de zomer werd, hoe actiever hij werd. Die theorie ging op de helling toen de laboratoriumuitslagen van de FBI eindelijk op Parker’s bureau belanden, overeenkomend met de handtekening van lijken die waren ontdekt in Los Angeles, Seattle en New York. Sommige van de zaken - veertien in totaal - dateerden van tien jaar terug. Op dat punt had de recherche van Atlanta het onderzoek geïntensiveerd en een taskforce opgericht. Parker kreeg promotie en werd de tweede leidinggevende. Met de FBI in een adviserende rol pakte de taskforce de draad op van eenentwintig met elkaar in verband gebrachte onopgeloste moorden en de media ging uit hun dak.
      De dader had een voorkeur voor jonge, weerloze vrouwen. Hij viel op lang haar en hij reisde rond, trok van staat naar staat in een vlaag van geweld die bijna elf jaar besloeg… en nog steeds voortduurde. Er was altijd de mogelijkheid dat ze niet alle lijken hadden gevonden, of dat er slachtoffers ten onrechte niet bij waren opgeteld.
      Op een zeker moment nam een agent die op studiereis was in Engeland een pauze in zijn research naar Scotland Yard methoden om de bezienswaardigheden te bekijken: Buckingham Palace, de Tower of London en het wassenbeeldenmuseum Madame Tussaud.
      Bij toeval werd daarmee het mysterie van het op alle plaatsen delict aangetroffen calciumsulfaat opgelost. De moordenaar gebruikte gips om afdrukken te maken van de gezichten van zijn slachtoffers: hij maakte dodenmaskers.
      Het psychologisch profiel werd complexer en de focus op het haar als voornaamste trofee werd terzijde geschoven. De enige reden waarom hij het haar wilde, was om de maskers te completeren.
      Een van de leden van Parker’s taskforce raakte zo van slag door de afgrijselijke wending die de zaak had genomen, dat hij overgeplaatst moest worden. Een ander - een collega uit Louisiana die Aiden Rhodes heette - verdween gewoon volledig uit beeld.

Om twee uur ‘s nachts parkeerde Aiden Rhodes zijn auto voor een motel in het centrum van Berkley, Michigan, net buiten Detroit. Het had twee dagen geduurd en hij had de hele nacht doorgereden, maar hij had eindelijk Leroy achterhaald. Het was niet zo moeilijk geweest als het had kunnen zijn, gegeven het feit dat zijn broer intussen zo’n vijf keer van werkgever en woonplaats was veranderd. Toen zijn gedachten zich eenmaal hadden gevestigd op de mogelijkheid, hoe gering ook, dat zijn broer betrokken kon zijn bij de moorden, had hij alleen maar het meest recente spoor van lijken hoeven volgen en bingo, raad eens wie er ten tijde van de misdrijven toevallig in de steden had gewoond?
      Nadat hij zijn Smith & Wesson uit het dashboardkastje had gepakt, laadde hij het wapen en stak het weg in de holster. Hij trok zijn colbertje aan en schikte het zo dat de holster aan het zicht werd onttrokken, controleerde of hij zijn penning bij zich had, sloot de auto af en liep naar de motelreceptie.
      De penning bleek niet nodig; het licht brandde, maar de balie was niet bemand. Ofwel de medewerker hield pauze of hij was achter in slaap gevallen.
      Aiden draaide het gastenboek om, las de namen en doorzocht vervolgens de verschillende laden en kastjes tot hij de sleutels vond. Toen hij er een had uitgepikt, bestudeerde hij de plattegrond van het terrein die aan de muur hing en wandelde daar naar kamer 15A.
      Nadat hij voorzichtig de sleutel in het slot had gestoken en omgedraaid, stapte hij de kamer in en deed zacht de deur achter zich dicht, waarna hij zichzelf de tijd gunde om aan het donker te wennen. Hij knipte een klein zaklampje aan en liet het licht door de kamer schijnen. De ruimtes waren standaard in indeling, ontworpen op de constante stroom van een mobiele beroepsbevolking; een grote kamer waarin het bed en de kitchenette stonden, met aan de zijkant een kleine badkamer.
      Zijn wapen uit zijn holster halend, liep hij verder. Hij knipte het nachtlampje aan en drukte tegelijkertijd de loop van de Smith & Wesson tegen zijn broers keel. “Jij bent het, hè?”
      Leroy’s ogen schoten open. De blik was allesbehalve vriendelijk, maar ja, er was nooit sprake geweest van een warme band tussen hen.
      Aiden deed zijn best de woede te beheersen die hem had gedreven sinds hij het foefje met de wasmodellen had ontdekt. Het had hem jaren gekost, maar hij had zichzelf aan het slijk van die godvergeten Rhodes-boerderij ontworsteld en een bestaan opgebouwd. Als zijn vermoeden klopte, stond zijn broer op het punt alles te vernietigen waar hij ooit voor had gewerkt. Zijn kaken verkrampten. “Je moet ermee ophouden. Nu.”
      “Waarmee ophouden?”
      “Houd je niet van de domme.”
      Met een minachtend gebaar schoof Leroy de loop opzij, alsof het zo’n plastic waterpistool was waarmee ze vroeger speelden. Hij sloeg de dekens van zich af en veerde overeind, de beweging vloeiend en beheerst en Aiden kon een lichte angst niet onderdrukken.
      De groene ogen verankerden zich met de zijne. “Je slaat door, Aiden. Als je je gram wilt halen, laat je penning en je dienstwapen er dan buiten.”
      Smalend liep hij naar de badkamer. Het toilet werd doorgespoeld en de leidingen borrelden terwijl de kraan werd geopend. Langgerekte seconden later verscheen hij weer, een handdoek in zijn hand en Aiden bestudeerde zijn oudere halfbroer. Leroy was slank en gebruind, zijn gezicht prettig - knap zelfs - en het was lastig te beoordelen of hij loog of de waarheid vertelde. Normaal gesproken was Aiden er goed in mensen in te schatten, maar de laatste tijd had hij zijn bedenkingen. Het was niet uitgesloten dat zijn halfbroer, die altijd onderaan had gestaan in de pikorde van de Rhodes’, samen met zijn tweelingbroer, slimmer was dan hij ooit had kunnen denken.
      Hij richtte het wapen op Leroy’s borst, maar voor het eerst sinds hij bij de politie werkte, bleef de roes die bij het trekken van het wapen hoorde uit. Hij bestudeerde Leroy’s gezicht, wachtte op een reactie. “We weten van de maskers.”
      Leroy slingerde de handdoek over een van zijn gespierde schouders en liep rustig naar het keukentje. “Welke maskers?”
      Te laat realiseerde Aiden zich dat dat een detail was dat niet openbaar was gemaakt.
      “Dat is wat de moordenaar doet. Hij verzamelt geen haar, hij maakt maskers.” Aiden staarde gefascineerd naar Leroy’s lenige, gebruinde rug terwijl hij koffie begon te zetten. De bewegingen waarmee hij het poeder in de filter schepte waren nauwgezet - uiterst precies. Plotseling kreeg Aiden een levendig beeld van zijn broer die knoeide met bonken klei, en daar later beelden van vormde en zijn maag verkrampte. Als kind was Leroy altijd gesloten en teruggetrokken geweest, maar ook hij had artistieke trekjes gehad. Zijn kamer had vol gestaan met boetseermateriaal.
      Koude ogen die griezelig veel op de zijne leken richtten zich op hem. “Doe even normaal, Aiden. Weet je zeker dat jij het zelf niet bent?”
      In een moment van desoriëntatie werd hij teruggeworpen naar een jeugd die je gerust problematisch kon noemen - die in feite had gegrensd aan een nachtmerrie. Even speelde hij daadwerkelijk met de gedachte. Stel dat hij het zelf was? Sommige kleptomanen herinneren zich niet dat ze hadden gestolen en werden door de rechter vrijgesproken op basis van een geestelijke stoornis.
      Hij schudde zijn hoofd, ineens kwaad om de afleiding en om de manier waarop hij zich had laten manipuleren. Hij had niets verkeerd gedaan.
      De misdaad fascineerde hem, de wet fascineerde hem. Hij had het onderwerp intensief bestudeerd. Het was onmogelijk voor een geestelijk gestoord en wanordelijk persoon om zo’n wijdvertakt netwerk van misdrijven te hebben gepleegd. De druk om de ene volmaakte misdaad na de andere uit te voren was te zwaar er zou een fout zijn gemaakt en dat was tot nu toe niet gebeurd. De intelligentie van deze moordenaar was verbazingwekkend.
      Het koffiezetapparaat begon te pruttelen en een heerlijk aroma verspreidde zich door de kamer.
      Opnieuw ontmoetten de koude ogen die van hem. “Weet je.” zei Leroy terwijl hij twee mokken op het aanrecht zette en naar de suikerzakjes reikte, “ik dacht even dat je werkelijk dacht dat ik het kon hebben gedaan. Ooit overwogen om in therapie te gaan?”
      Aiden negeerde de belediging, de alledaagse bewegingen volgend. Hoe abnormaal het gezin ook was geweest, hij was zich er altijd sterk van bewust geweest dat hij zelf normaal was. Hij had negens en tienen gehaald op school. Geen problemen, geen wangedrag en niets van de maffe artistieke toestanden waar zijn halfbroers zich mee bezig hadden gehouden. Mentaal zijn schouders ophalend stak hij het wapen terug in de holster. Tenzij hij bereid was ermee te schieten, was de Smith & Wesson overbodig.
      Hij keek toe terwijl Leroy tegen het aanrecht leunde en zijn armen over elkaar sloeg, ogenschijnlijk ontspannen en de reden waarom hij de hele nacht had doorgereden werd bevestigd.
      Leroy was te kalm, te beheerst. Als Aiden om twee uur in de ochtend was gewekt met een wapen op zijn keel, zou hij tegen de muren op zijn gevlogen.
      De nervositeit vrat aan hem; maagzuur kwam omhoog, bijtend in een maagzweer. “Dus waar zijn ze?”
      “Waar zijn wat?”
      “De lijken hebben we al. We willen de maskers.”
      “Je meent het serieus, hé?” Leroy haalde zijn schouders op. “Waar zijn de maskers? Tja, laat ik eens kijken…” Hij liep het keukentje uit en maakte traag een rondje door de kamer, spottend kussens van de bank tillend, tot hij een meter voor Aiden bleef staan. “Jij bent van de politie,” zei hij zacht. “Als ik de moordenaar ben, zou ik dat weten en jij daarachter moeten zien te komen, lijkt me zo.”
      Aiden kreeg maar een fractie van een seconde om te beseffen dat zijn broer de keuken pas uit was gekomen nadat hij het wapen weg had gestoken. In een reflex graaide hij er nu naar. Een razendsnelle vuistslag, zijn keel die met hevige kracht werd vastgegrepen. Zijn achterhoofd ketste tegen de muur en er kletterde een lamp op de grond in een regen van blauwe elektrische vonken. Het werd halfduister in de kamer, maar de verstikkende greep op zijn luchtpijp werd niet losser.
      Verdoofd staarde hij in de kille, samengeknepen ogen, hun onverstoorbare kalmte die zei dat zijn wereld dan wel overhoop mocht liggen, die van Leroy was nog volkomen intact. Een schijnbaar onbeduidende herinnering welde op.
      De paniek gierde door zijn buik terwijl hij naar lucht snakte; de gal brandde achter in zijn keel en hij voelde het moment waarop de maagzweer begon te bloeden.
      Hij wist het.

Reacties (2)

  • Spiridakos

    Damn dit hoofdstuk is zo goed beschreven qua details, I love it.

    2 jaar geleden
  • FollowYourDream

    Omg! Die lieve Leroy toch niet:O
    Dan had ik eerder aan Jayden gedacht..
    Ik heb het gevoel dat er in de tussenliggende jaren nog iets is veranderd in Leroy..

    En wie had gedacht dat Aiden bij de politie ging gaan!
    Wauw, een hoofdstuk vol verrassingen!
    Ik vind echt dat je een topschrijfster bent!

    Xxx

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen