Toen we uit de keuken waren, waren we aangekomen in de grote hal waar we waarschijnlijk als eerste in waren gekomen als we door de deur gekomen waren. Het was een typisch oud landhuis, met een hoop deuren op de eerste verdieping, en een grote trap tegenover de voordeur. Alles was oud en een beetje vervallen, maar toch vond ik dat het nog verbazingwekkend goed intact was. Het huis was een stúk groter van binnen dan het er van buiten uitzag en onze zaklampen waren zielige lichtjes in de duisternis. Opeens voelde ik Jonathans hand om die van mij sluiten. ‘Dit doe ik niet omdat ik het prettig vind of zo, maar zo raken we elkaar niet kwijt.’ Ik knikte. Het was inderdaad een stuk veiliger om zo dicht mogenlijk bij elkaar te blijven. Het gaf een veiliger gevoel. ‘En het is ook best prettig.’, grinnikte Jonathan. Ik gaf hem een stomp en grinnikte: ‘Homo.’ Jonathan gniffelde en gaf mij een harde stomp terug. De voer was stoffig; mijn gympen waren helemaal wit gekleurd van het gruis. ‘Waar gaan we als eerste naartoe?’ ‘Gewoon een deur door?’, suggereerde ik. Dus openden we de eerste deur die het dichtste bij ons was. Ik had bijna geschrokken gegild toen de deur uit de scharnieren brak en met een harde plof op de grond viel. Wat als iemand het gehoord had? Onzin, jullie zijn hier alleen. Je maakt zelf alleen maar bang. De kamer was waarschijnlijk een kantoor geweest, want er stond nog een oud bureau en resten van een boekenkast. Jonathan grijnsde en haalde zijn telefoon tevoorschijn om te filmen. ‘We zijn in het huis, in het oude kantoor. Zullen hier spoken zitten?’ ‘Ja vast.’ Jonathan maakte en geluid alsof hij een spook was en ik had bijna zijn telefoon uit zijn handen geslagen toen ik hem een stoot tegen zijn schouder gaf. Na nog een paar kamers die niet veel inhielden besloten we de trap op te lopen. Jonathan was bang dat die in zou storten, en daar kon ik niet helemaal tegenin gaan. Maar we waren veilig boven gekomen, nog steeds hand in hand. ‘Jonathan, stil!’, siste ik toen ik hard gekraak hoorde. ‘Dat ben ik niet. Dat komt niet eens van mijn kant vandaan!’, verdedigde hij zichzelf. Toen we realiseerde wat hij zei keken we elkaar geschrokken aan. ‘Waar komt het dan vandaan?’ Jonathans grip om mijn hand verstevigde. We liepen voorzichtig langs geblindeerde ramen en uitgedoofde kandelaars. Maa opeens bleef ik doodstil staan. ‘Jonathan, we moeten hier weg.’ ‘Wat? Waar heb je het over?’ ‘Ik hoor stemmen.’ ‘Wát?’ Ik negeerde hem en sleurde hem mee. ‘What the-‘ ‘Houd je bek!’, siste ik. Ik sleurde hem achter een oud en vies gordijn en bleef doodstil staan. Er liep namelijk iemand over de gang. No joke, ik kon hem vanachter het gordijn zien lopen. En Jonatan zag het ook, want hij verbrijzelde mijn hand bijna. ’Zullen we hem achterna gaan?’ ‘Excuse me!?’, fluisterde ik geschrokken. Ik was al lang blij dat die enge gozer ons niet gezien had! ‘Als we hem volgen, kunnen we zien waar hij naartoe gaat. En als je zegt dat je niet nieuwsgierig bent naar wat zo’n iemand hier doet dan geloof ik je toch niet want ik weet dat het zo is want ik ben ook nieuwsgierig. Wat nou als het een of andere ondergedoken crimineel is? Als we hem filmen en aangeven dan..’ ‘Jonathan je bent gek.’ ‘Kom mee.’ Jonathan sleurde me mee en ik had geen tijd om ge protesteren, als ik dat zou doen zou iemand me horen. Dus liep ik zo stil mogelijk mee naar waar Jonathan zei het figuur naartoe was gelopen. Hoe dichter bij we kwamen, hoe luider de voetstappen en stemmen werden. En oh God, de stem was niet alleen. Er was een deur, een houten deur. En er kwam licht vanonder de deur vandaan. Alsof er een lamp brandde in de kamer die er achter zat. De deur stond open op een kier. Voordat ik hem kon waarschuwen had Jonathan zijn telefoon voor de kier gehouden en begon te filmen. We konden wat vaag gemompel horen, maar wat er gebeurde zou pas op de film terug gezien kunnen worden. ‘We hebben nieuwe nodig.’, wist ik zeker dat ik iemand hoorde zeggen. En iets over ‘vriezen’, maar ik dacht dat ik dat verkeerd had verstaan. De voetstappen kwamen langzaamaan dichter naar de deur toe. ‘Kom mee!’, siste ik, en ik trok aan Jonathans mouw. Hij kwam overeind en zodra hij op zijn benen stond greep ik zijn hand beet en sleurde hem zo snel en geluidloos mee. Toen er nieuwe voetstappen op de gang klonken, rende ik zonder na te denken nog een trap op, een deur door. ‘Denk je dat ze weten dat wij hier zijn?’, piepte Jonathan. ‘Ik weet het niet!’ Jonathan haalde diep adem en zei: ‘Blijf hier. Ik ga kijken of er iets of iemand is in de kamer naast ons.’ En hij verdween de deur uit. We waren op een soort zolder met maar twee deuren, maar toch vond ik het geen prettig idee om zo alleen in die kamer te zitten. Maar na 10 seconden stilte kwam ik er achter dat ik dat niet was. Ik kreeg bijna een hartverzakking toen er opeens hard gebonk vanachter me klonk. Ik keek op en zag een soort ijzeren schuifdeur. Het liefste wou ik naar Jonathan toe rennen en wat het ook was daar lekker in laten. Maar toen er ook een gesmoord geschreeuw uit kwam, en mijn hart samentrok van angst, won mijn nieuwsgierigheid het van mijn verstand. Voorzichtig stond ik op en liep met mijn zaklamp als een wapen voor me naar de schuifdeur toe. Het deed me denken aan zo’n schuifdeur die op een koelbox zat waar je vroeger altijd bij de snackbar of bij het zwembad een ijsje uit kreeg. Het bonzen werd harder. Toen ik de deur opentrok gebeurde er iets wat ik niet verwacht had of aan had zien komen. Ik werd niet geslagen, aangevallen en ik stond ook niet voor een lege deur. Ik werd omhelsd. Het was alsof er een blok ijs zich tegen mijn lichaam aan drukte maar het was een echte omhelzing. Ik zag dat de ‘kamer’ waar de persoon uit was gekomen een kleine vrieskamer was. Dat verklaarde de kou. Maar wat deed een vrieskamer in dit oude krot? En wat me nog meer verbaasde: Wat deed een persoon in die vrieskamer!? ‘Oh mijn God!’, riep een hoge stem. Die was afkomstig van de persoon die zich nig steeds aan me vast klampte. Ik trok het lichaam voorzichtig van me af. Het was een meisje, ongeveer mijn leeftijd. Ze had lang, donkerrood haar en felblauwe ogen. En damn, ze was knap. ‘Wat doe je hier? Waarom zat je in die vriescel? Wie ben je?’ Haar lippen waren blauw en ze zag er uit alsof ze het ongelofelijk koud had. Wat waarschijnlijk ook het geval was. Er kleefden tranen aan haar lange wimpers en ze hijgde van angst. ‘I-Ik.. Ik heet Jinnie.’ Ze klappertandde en zag er niet gezond uit. Toen pas kwam mijn domme brein tot een conclusie: Geef haar je kleren, idioot. Ik trok gauw mijn jas en trui uit zodat ik alleen nog maar een t-shirt droeg en trok mijn trui gauw bij haar aan en sloeg mijn jas om haar schouders. ‘Hoe kom je hier?’ Ze haalde trillend adem en zei: ‘Dat weet ik niet. Het ene moment was ik buiten op de straat, het andere moment lag ik in een busje en werd ik naar dit huis gereden. Ze hadden me met geweld meegenomen en hier in die vriezer gegooid.’ ‘Wáárom?’ Ze keek schichtig om zich heen en zei: ‘Er zit hier een of andere criminele bende. Ze vriezen mensen in om zo hun organen intact te houden en die er uit te halen en ze illegaal door te verkopen voor veel geld. Je hebt zojuist mijn leven gered, dude.’

Reacties (4)

  • LaLoba

    Oh damn oh damn

    2 jaar geleden
  • aarsvogel

    Trouwens... telt uit de vrieskist komen ook als uit de kast komen?(lol)

    2 jaar geleden
    • Van_Gogh

      Misschien 😏

      2 jaar geleden
  • Butterflygirl

    Ja en nu nog even jullie eigen levens redden "dudes"

    2 jaar geleden
  • aarsvogel

    :X

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen