Mijn excuses voor de lange pauzes tussen de hoofdstukken. Ik ga proberen het grootste gedeelte dat ik heb online te zetten en eens te kijken hoe ver ik kom. Mocht je ondertussen niets meer van het verhaal weten, sorry :'D Hieronder het laatste stukje van het vorige hoofdstuk. Aderyn en Naeve zijn gedwongen in een team gezet en zijn de Hoorn ontvlucht en in een sneeuwlandschap terecht gekomen.

      ‘We zijn hier niet de eersten.’ Onbewust heb ik mijn stem laten dalen tot een zacht gefluister. Naeve kijkt me onbegrijpend aan en blikt even om zich heen. Geluidloos wijs ik naar de diepe voetstappen, die eerdere tributen hebben achtergelaten in de maagdelijke sneeuw. Misschien beeld ik het me in, maar nu we zelf geen geluid meer maken, denk ik ook in de verte geroezemoes te horen. Of in ieder geval iets, dat de anders perfecte stilte verstoort.
      Beiden meteen op onze hoede klemmen we onze lippen op elkaar en nemen de zachte tred aan, die men gebruikt als je onopgemerkt ergens wil komen. Behoedzaam plaats ik mijn voeten precies in de holtes die de twee tributen voor ons hebben gemaakt. Je weet immers maar nooit welke ‘verrassingen’ zich onder de ongerepte sneeuw verschansen.

      Me ontzettend bewust van de fel contrasterende kleur van mijn zwarte haren in deze witte omgeving, probeer ik wijs te worden uit de over elkaar heen lopende voetstappen in de verder maagdelijke sneeuw. Om de vijf seconden verander ik van houding, hopend zo een moeilijker doelwit te vormen voor pijlen, speren of werpmessen. Hoewel sporen lezen nou niet echt mijn sterkste kant is, schep ik er zeker wel plezier in. In een bos zou ik de twee allang zijn kwijtgeraakt, maar hier in de sneeuw gaat het me gemakkelijk af.
      Vanuit mijn ooghoek zie ik Naeve een slok van het ijswater nemen en daarna even kort rillen van de kou. Ze valt niet onmiddellijk dood neer in de sneeuw, wat al een pluspunt is. Ook merkt ze niets op over een eventueel zoutgehalte van het water, dat zacht golvend heel onschuldig lijkt. Woordeloos knik ik even afwezig als ze naast me komt staan. Als er de komende drie uren niets met Naeve zou gebeuren, neem ik aan dat het water drinkbaar is. In de catacomben heb ik immers nog gedronken, dus nu kan ik wel eventjes zonder. Tot mijn liefste proefkonijn het overleefd heeft.
      ‘De sporen gaan die kant op. Laat de jacht beginnen.’ Grijnzend hang ik de rugzak iets rechter om mijn schouders, waarna ik opsta en de sporen begin te volgen. Al snel wijken de sporen af van de rustig stromende rivier, het uitgestrekte landschap in.
      Naeve ploetert zonder een woord te zeggen door de sneeuw, maar het is duidelijk dat het haar niet makkelijk afgaat. Op deze manier gaat het niet lukken. Dan lijken wij eerder de prooi, in plaats van de jager. Vooral bij deze tributen. Het is me opgevallen dat mijn voetafdrukken, als ik een keer misstap, een stuk minder diep zijn dan die van onze voorgangers. Het zou me niets verbazen als het twee jongens zijn, zoals bijvoorbeeld Samuel.
      Eigenlijk is die gok zo gek nog niet. Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik dacht iets blauwgroens in dezelfde gang te zien verdwijnen als Naeve en ik genomen hadden. Heel misschien zijn dit Florian en Samuel wel. En als dat zo is, is het bijna zelfmoord om zo hun richting op te gaan, hoe graag ik dan ook de tribuut uit 9 van zijn geliefde leven wil beroven.
      Zwijgend laat ik het spoor links liggen en blijf ik de eindeloze stroom volgen, verder het landschap in. Naeve merkt het niet eens.
      We zijn nog niet eens echt lang onderweg naar nergens, als de kanonnen klinken. Elk kanonschot duidt het einde aan van een leven. Het einde, van een gevallen tribuut. Tijdens het bloedbad vinden de spelmakers het te verwarrend om gebruik te maken van de kanonnen, zodat ze tot de conclusie zijn gekomen alle kanonnen in één keer af te laten gaan, zodra er bij de Hoorn niet meer gevochten wordt.
      We stoppen en kijken allebei naar de lucht, alsof het aantal schoten daar beschreven zal staan. Natuurlijk is dat niet zo, en moet je gewoon tellen.
      Na tien schoten keert de stilte weer terug en slaat de kou weer in onze gezichten. Afgeleid door de schoten viel het niet eens zo op, dat we zo erg afkoelen als we stilstaan, maar nu des te meer.
      ‘Nog veertien tributen. Nu nog twaalf te gaan, en we kunnen naar huis.’ Tevreden schuift Naeve even wat sneeuw bij haar voeten heen en weer. Ik knik alleen maar, in een inwendige strijd verkerend. Wie weet waar deze eindeloze vlakte zou ophouden, en ik voel er zeer weinig voor om dood te gaan door de kou, omdat we met te weinig kleding door een ijsvlakte heen banjerden. Als we terug zouden gaan, zou onze afgelopen tocht helemaal voor niets geweest zijn.
      Maar eigenlijk weet ik heel goed dat ik hier niet langer wil zijn.
      ‘Kom op, we gaan terug. Deze vlakte lijkt nog eindeloos lang door te gaan, en daar heb ik heel, heel weinig zin in. In de gangen waren er zulke spleten, misschien dat we daar een schuilplaats kunnen vinden. Het is daar in ieder geval warm.’ Afwachtend kijk ik Naeve aan, die ietwat geïrriteerd haar handen in haar zij zet.
      ‘Dus we hebben dit hele stuk voor niets gelopen?’ vraagt ze, met een dodelijke blik in haar ogen.
      ‘Inderdaad.’ Even dodelijk staar ik terug, tot ze haar ogen afwendt en weer over haar armen wrijft. Ze lijkt iets te mompelen, maar het is zo zacht dat ik het niet kan horen en ze herhaalt het ook niet. Mijn schouders ophalend loop ik langs haar heen, zodat ik weer voorop kom te liggen. Terug naar de gang.
      Het hele stuk terug naar de gang, zoals Naeve het noemde, blijkt niet eens zo heel ver. Als je het in verhouding bekijkt. In minder dan twintig minuten hebben we het meer alweer gevonden. Van andere tributen ontbreekt ieder spoor.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen