Foto bij H.47.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
'Gaat het?' vraagt Evan en beetje sloom.
Ik wil nee zeggen, vertellen wat er gebeurd is, dat ik misschien wel een moordenaar ben, dat ik het misschien wel zeker weet.
Ik wil dat hij verteld dat alles goed komt, dat het een droom is.
Dat mijn moeder niet bestaat, dat ze niet slecht is, dat Ammay zichzelf niet in slaap hoeft te huilen, dat zijn ouders niet dood zijn.
Ik wil dat hij me wakker maakt.
Maar ik lieg.
'Het gaat wel. Ik werd gewoon wakker en kon niet meer slapen.' zeg ik, hopend dat hij te moe is om te kunnen zien dat ik de waarheid niet spreek.
Blijkbaar is hij dat niet.
Hij schud zijn hoofd.
'Nee. Ík werd wakker en kon niet meer slapen, jíj voelt je ellendig.' doorziet hij me.
Ik kijk weg.
De toon in zijn stem die mij zo veilig laat voelen zorgt ervoor dat ik een zwak moment krijg, dat het voelt alsof ik hem alles kan vertellen en hij het dan oplost.
'Het voelt alsof ik verdrink en iedereen om mij heen gewoon blijft ademen.' zeg ik zachtjes en ik weet niet waarom ik hem dat toevertrouw.
Ik draai mijn hoofd nog verder de andere kant op, hoop dat hij niet ziet dat een pijnlijke traan uit mijn ooghoek glijdt.
Hij loopt naar me toe, legt voorzichtig een hand op mijn wang, stuurt mijn gezicht richting de zijne, zodat we elkaar aankijken
Hij kijkt alsof hij pijn heeft.
'Het spijt me zo.' prevelt hij.
Ik bijt op mijn lip, wil opnieuw wegkijken, maar doe het toch niet.
'Het is niet jouw schuld.' zeg ik.
Ik stap naar hem toe en hij vouwt zijn armen om mij heen.
Mijn vingers wrijven zacht tegen het T-shirt dat hij aanheeft en ik leg mijn wang tegen zijn borstkas, laat het ritme van zijn ademhalen mij kalmeren.
'Je zou eens moeten weten.' fluistert hij dan en ik weet niet zeker of het wel de bedoeling is dat ik dat hoor.

Die ochtend maakt Ammay me wakker.
Ze bedoelt het lief wanneer ze tegen me aan kruipt en zachtjes mijn naam fluistert, maar het zorgt ervoor dat ik wakker schrik, met het gevoel dat er gevaar dreigt.
Ik sta op en loop naar de keuken, waar Evan is.
'Goedemorgen.' zeg ik en hij kijkt op, grijnst.
'Hey.'
Ik kijk naar de keukentafel.
Hij heeft al ontbijt gemaakt.
Terwijl ik Ammays hobbelende voetstappen dichterbij hoor komen kijk ik van het eten naar Evan.
'Wow... je... je bent echt te aardig. Dankjewel.' zeg ik.
Hij slikt, kijkt weg, lijkt zenuwachtig.
Hij beantwoord mijn bedankje met een zacht, vreemd geluidje, geen ja en geen nee.
Dan golft het woord door mijn lichaam en voor een seconde bevries ik.
Schuld.
Hij voelt zich ergens schuldig over.
Wantrouwen verspreid zich als een plaag door mijn lichaam.
Deed hij gisternacht niet ook zoiets? schiet er door mijn hoofd.
Hij en Ammay gaan aan de keukentafel zitten.
Ik volg hun voorbeeld, blijf hem af en toe nog met een vluchtige blik aankijken, hoop dat hij het niet ziet.
Waar voelt hij zich schuldig over?
Hoe lang is dit al aan de hand?
Heb ik het misschien mis?
Ik wil het zo, zo graag mis hebben.
Ik duw het even weg, al zou ik dat niet moeten doen, maar nu heb ik er de kracht niet voor.
Met een glimlach draai ik mij naar Ammay.
'Jij ging vandaag toch met een vriendinnetje spelen?' vraag ik.
Ze knikt uitbundig, zo hard dat je bijna zou denken dat haar hoofd er elk moment af kan vallen.
'Ja, met Ashley.' zegt ze met volle mond.
'Moet ik je brengen?'
Ze schudt haar hoofd en slikt een hap brood door.
'Haar mama komt mij ophalen. Om tien uur.' zegt ze.
Ik kijk op de klok.
Het is half tien.
Opschieten, dus.
'Hoe laat brengt ze je terug?' vraag ik.
'Vier uur.'
'Leuk, lieverd.'
Ik eet afwezig mijn ontbijt op.
Ik werp nog een blik op Evan.
Wat. Heb. Je. Gedaan?

Als Ammay weg is gaan we boodschappen doen.
Hij staat erop dat hij betaald en om eerlijk te zijn heb ik er weinig tegenin te brengen; ik ben niet de miljardair van ons twee.
Omdat het maar vijf minuten lopen is vanaf het huis, besluiten we die ene boodschappentas wel even te kunnen dragen en te voet te gaan.
Hij is stil, stiller dan normaal.
Er klopt iets niet.
Hij heeft iets op zijn geweten en kan het schuldgevoel niet meer aan.
Ik kijk hem nog even onderzoekend aan, probeer zo min mogelijk minachting in mijn ogen weer te geven.
Wat als hij me verraden heeft?
Wat als hij mijn moeder verteld heeft dat ik het doorverteld heb?
Dat ze hem ingehuurd heeft om te testen of ik het wel echt geheim hield en daar nu spijt van heeft?
Ik voel me misselijk.
Wat als Ammay iets overkomt?
Plotseling ben ik er heel zeker van dat hij verrader is.
Ik heb geen bewijs voor, maar het voelt zo kloppend in mijn hoofd.
Hij heeft mij ten dode opgeschreven.
En Ammay.
Hij heeft Ammay praktisch vermoord.
Ik voel een haat opborrelen in mijn borst en barst opeens open.
Alle opgehoopte wantrouwen, woede en pijn stroomt naar buiten.
'Klootzak!' roep ik en er stromen tranen over mijn wangen en hij kijkt mij totaal verbijsterd aan,' Je hebt het verteld! Je hebt mijn moeder verteld dat ik...'
Ik kan mijn zin niet afmaken en misselijkheid overspoelt me.
'Weet je wel niet wat je gedaan hebt?!' gil ik.
Er is niemand in de buurt, maar ik voel me toch bekeken.
Hij zegt mijn naam, hopend de woordenstroom en scheldwoorden te stoppen.
Ik negeer het, tier door, roep nogmaals of hij wel beseft wat er nu met Ammay gaat gebeuren.
Dan pakt hij mijn arm vast.
'Gioa.' zijn stem is even heel koud en intimiderend en ook al is het maar voor even, een wanhoopsdaad, val ik stil.
Zijn uitdrukking verzacht.
'Gioa, je... ik... je denkt toch niet echt dat ik zoiets zou doen?' stamelt hij.
Ik trek me los, wrijf over de plek die hij vasthield, ook al deed hij het helemaal niet zo hard dat het pijn doen.
Ik zet een paar stappen naar achteren, woedetranen vinden over mijn wangen hun weg naar beneden.
'Jawel', zeg ik en ik wil het snauwen, maar mijn keel voelt dichtgeknepen,' Dat denk ik wel. Je doet zo raar. Die blikken. Je hebt ergens spijt van. Je hebt me verraden. Het kan niet anders. Waarom anders zou je mij echt willen helpen?'
Heel even ben ik stil, trilt mijn onderlip en weet ik niet meer zo zeker of ik wel echt huil uit boosheid.
'Waarom anders zou je om mij geven?'
Hij zet de boodschappentas neer en wrijft over zijn gezicht.
'Gioa... ik... dat is het niet.' zegt hij.
Ik bijt op mijn onderlip, weet niet zeker of ik het wel geloof.
'Wat is het dan wel?' vraag ik zachtjes.
Even sluit hij zijn ogen, zijn vingers trillen.
Dan opent hij zijn ogen en even overvalt zijn blik me, alsof ik vergeten was dat zijn irissen zo'n diepe kleur bruin hadden, zo doortastend.
'Ik heb gelogen.'

Reacties (4)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    1 jaar geleden
  • AnneFrank

    Nice chapter

    2 jaar geleden
  • BethGoes

    Hij is geen miljoenair!

    Hij heeft wel ouders!!

    Hij wil helemaal niet helpen...

    Hij is toch niet verliefd op haar?

    Uhg, laatmaar... zie het straks wel!(baby)

    2 jaar geleden
  • DeNaamIsGideon

    'Ik heb gelogen.'

    Thanks captain Obvious.

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen