12.

(1999)

Damian Campbell was vrijwel direct na de politie en de ambulance ter plekke. Hij had geluk gehad; hij was van een feest onderweg naar huis geweest toen hij de melding van het ongeluk op de politiescanner had gehoord. Kennelijk was er een aanrijding geweest waarbij de bestuurder was doorgereden.
      Hij was niet sensatiebelust - hij had vooral een diepgeworteld respect voor iedereen die was overleden. Dat respect was er bij hem in geslagen door zowel zijn moeder als zijn oma. Voor zover hij uit de communicatie had opgemaakt, ging het hier om doodslag.
      Nadat hij zijn wagen achter een rij politievoertuigen had geparkeerd, pakte hij zijn camera, notitieboekje en zaklamp. Zijn maag kwam in opstand bij de gedachte aan een lijk. Het was zijn eerst week als verslaggever voor de Lassiter Daily. Hij had journalistiek gestudeerd, was gefascineerd door hard nieuws en hij had een tik snelheid van honderdveertig woorden per minuut, maar tot dusver had hij niet veel meer gedaan dan de lokale sportwedstrijden verslaan en de kookrubriek verzorgen. De sport vond hij niet erg, maar veel enthousiasme voor wat mensen als voorafje wilden kon hij niet opbrengen; er waren volop anderen die verhongerden of dakloos waren.
      Of de onverschilligheid van zijn baas tegenover zijn carrière, maar één ding stond vast: hij popelde om zijn tanden eens in een echt verhaal te kunnen zetten.
      Damian omzeilde de agenten die de omgeving hadden afgezet en het verkeer omleidde en hij baande zich zo onopvallend mogelijk een weg naar de kleine groep ambulancemedewerkers die bezig was met het slachtoffer. Hij wilde niet weggejaagd worden voordat hij op zijn minst een paar foto’s had genomen. Met het onaangename gevoel dat hij een lijkenpikker was, hield hij zijn camera omhoog en maakte bij gebrek aan iets anders opnamen van de ziekenbroeders. De flits deed de nacht oplichten.
      Een kleine, pezige man draaide zich met een ruk naar hem toe en keek hem dreigend aan. “He, jij daar! Kappen daarmee, kom liever hier met die lamp.”
      Het was Aaron Walsh - een bekende lokale persoonlijkheid. Met tegenzin stapte Damian naar voren en richtte de bundel op het slachtoffer. Hij kromp ineen, deinsde bijna achteruit. Er lag zoveel bloed dat hij in eerste instantie nauwelijks kon bepalen of Aaron met een mens of een klein dier bezig was. Uiteindelijk realiseerde hij zich dat het een meisje was.
      Aaron’s uitdrukking was kalm en geconcentreerd. “Ik heb licht nodig - hier”
      Met zijn zaklamp volgde Damian de wijsvinger van de verpleegkundige en hij keek toe terwijl die een arm droog veegde, schone, ongehavende huid ontblootte. Behendig stak hij een naald in de arm en bevestigde er een plastic buisje aan, dat als een slang in een zak met heldere vloeistof verdween.
      Twee lichtblauwe ogen richtten zich op hem. “Houd dat ding goed hoog. Het moet omlaag kunnen stromen.”
      Damian vingers sloten zich om de zak vloeistof en er voer een huivering door hem heen. Hij voelde zich net een bovenmaatse kraanvogel terwijl hij toekeek hoe de verpleger geroutineerd in de weer was met het roerloze lichaam, de neksteun controleerde die het grootste deel van het bovenlijf en de kin bedekten en toen een naald in de andere arm stak.
      Een collega nam het meisje de pols en liet die toen los. “Je verdoet je tijd, Aaron. Ze is al weg. We weten niet hoelang ze hier al lig. Geen waarneembare hartslag in pols of hals en ze haalt geen adem meer. En ze is koud.”
      “Ja, daar kan een goede verklaring voor zijn.” Aaron blies met kracht zijn adem uit en er kwamen wolkjes uit zijn mond. “De winter komt eraan. Het is ijskoud vannacht.”
      Er werd een brancard naast het lichaam neergezet. Aaron en een andere verpleegkundige tilden het meisje op en snoerde haar vast. Damian volgde ze, de zak vloeistof omhoog houdend terwijl ze haar inlaadden. Toen nam Aaron hem over, hing hem aan een metalen stang aan de zijkant van de brancard en gebaarde dat Damian achteruit moest.
      “Tempo,” zei Aaron bruusk tegen de bestuurder naast het voertuig. Een fractie van een seconde later werd de achterdeur dichtgeslagen.
      “Omdat je het zo aardig vraagt, Aaron” mompelde de chauffeur. Hij schudde zijn hoofd en wierp Damian een gefrustreerde blik toe voordat hij de cabine in sprong. “Je wilt een mooi verhaal? Twee woorden: Dood aangetroffen.”
      Hij trok het portier achter zich dicht en zette de sirenes aan. De wielen draaiden, spatten modder en steentjes op. De banden glipten en slipten voor ze eindelijk grip kregen. Een paar tellen later stoof hij de weg op, achter een surveillancewagen aan die als geleide fungeerde.
      Een van de agenten hurkte neer naast de omgewoelde greppel. “Nee, he” mompelde hij. “Daar gaat ons enige bewijsstuk naast het lichaam.”
      Hij wees naar de diepe groeven die de wagen had achtergelaten. “De bestuurder is doorgereden - denken we. Moeilijk vast te stellen nu.”
      Uit de dichtstbijzijnde wagen klonk het kraken van de radio. Een tweede agent boog zich naar binnen en pakte de microfoon op.
      Met een kort gebaar legde hij hem weer terug en wenkte de agent die de bandensporen zat te bestuderen. “He, Clark, we moeten verder. Nieuwe melding. Er is brand gesticht op het kerkhof. Die etterige pubers ook altijd. Ik haat de vrijdagnacht.”

Een paar dagen later kwamen er in Detroit nog twee lijken bovendrijven - letterlijk. Het tijdstip van overlijden werd een week eerder ingeschat. Barry Parker woonde de secties bij en verzamelde zo veel mogelijk bewijs, maar het was lastig iets concreets te concluderen nadat de slachtoffers een week in Lake Erie hadden gelegen. Behalve minuscule sporen van gips en de kenmerkende verwijdering van het haar kon hij niet anders aan de zaak toevoegen dan de nieuwe locatie en een nog grotere vastberadenheid; een van de slachtoffers was pas zestien geweest, net zo oud als zijn zusje.
      Parker bleef contact onderhouden met de betrokken politiedistricten, maar even plotseling als de moordenaar was opgestegen tot nationaal niveau, verdween hij weer van het toneel. Drieëntwintig moorden en ineens… niets meer.
      Voor een dader die zo lang en zo constant had toegeslagen kon het abrupte einde twee dingen betekenen, ofwel hij was lichamelijk niet meer in staat door te gaan, ofwel hij was dood.
      Hoe machtig en ongrijpbaar een moordenaar ook mocht zijn, hij was nooit onsterfelijk, net als elk mens kwam hij op een dag aan zijn einde. Het idee dat de dader vermoedelijk was gestorven was zowel een opluchting als een tegenvaller. Vrouwen en alle gemeenschappen die waren getroffen door zijn misdrijven, konden verlicht ademhalen, maar het dossier bleef open, de moorden onopgelost en Parker, inmiddels onderzoeksagent bij de FBI, bleef in zijn vrije tijd piekeren over de zaak. Het was een frustrerende situatie. Dood of levend, Parker en veel andere collega’s wilden die vent gewoon te pakken krijgen.
      De politie van Atlanta en de FBI werkten nog vijf jaar met tussenpozen aan de bizarre reeks moorden. Tevergeefs; er kwam geen verdere informatie boven water. Uiteindelijk kregen ze geen budget meer om er nog langer tijd aan te besteden en de zaak werd gesloten.

Reacties (2)

  • FollowYourDream

    Is Audrey dood?:O
    Daar gaat heel mijn theorie dat Audrey de hoofdpersoon is :/

    Wat stom dat het onderzoek moet sluiten omdat er geen geld is.. Ik kan me niet voorstellen hoe hard dit moet aankomen bij de nabestaanden..
    Ik blijf nog steeds Jayden verdenken van de moorden.. Alhoewel dit zou betekenen dat hij ofwel dood is, ofwel dat hij er niet meer toe in staat is.. Ik weet niet wat ik zou kiezen..

    Ik ben benieuwd hoe het met Harry is.. Hier spreken ze enkel dat ze een meisje hebben gevonden, maar Harry was daar toch ook bij? Dus dan zou Harry gevlucht moeten zijn..

    Hmm
    Vragen vragen vragen. Na elk hoofdstuk blijf ik steeds met nóg meer vragen zitten.. En dat maakt me enkel nieuwsgieriger naar meer (:

    Xxx

    2 jaar geleden
  • Manonxxx

    Belachelijk!

    Please snel verder?!
    Xx

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen