“Gaat het?” Star ging naast Black zitten en besefte dat ze geen meer onnozele vraag had kunnen stellen.
“Ja, het gaat geweldig,” beet Black haar toe. “Ik heb werkelijk de tijd van mijn leven. Ik -.” Hij maakte zijn zin niet af, maar hapte naar adem terwijl hij zijn arm vasthield.
“Waar zijn we?” Star pakte snel zijn schouders toen hij dreigde om te vallen.
Het gras was nat, de kou van de dementors zat nog in haar lijf en Star vermoedde dat er op dit moment niemand bestond die het ellendiger had dan zij. Behalve Black dan.
“Net buiten Zweinsveld,” bracht Black kreunend uit.
Star speurde tussen de bomen door. Achter haar was inderdaad de rand van een dorp te zien.
“Kan je lopen?” vroeg ze aan Black.
“Er is niets mis met mijn benen,” snauwde hij. Hij stond op en trok nog witter weg. Star sloeg zijn arm over haar schouders om te voorkomen dat hij viel. Ze had het gevoeld dat de jongen met zijn hele gewicht op haar steunde terwijl ze langzaam vooruit kwamen.
“We gaan niet de goede kant op,” mompelde Black toen het huis tussen de bomen in zicht kwam.
Star moest toegeven dat het er inderdaad niet uitzag als Zweinsveld.
“Waarom zei je dat niet eerder?” gromde Star. “Je bent ook niet de lichtste.”
“We zijn op de verkeerde plek beland.”
Star wilde hem graag uitschelden, maar besefte dat hij hen wel uit Azkaban weg had gekregen. Ze beet op haar lip om haar verwijt in te slikken.
“Dan kunnen we net zo goed kijken of daar iemand woont die iets hiertegen kan doen, voor je doodbloedt.”
Black lachte schor.
“Ja, dat genoegen zou ik je niet willen gunnen.”
“Ik heb nogal wat te verantwoorden als ik zonder jou terugkom,” snauwde Star. De jongen leek steeds zwaarder te worden of steeds meer op haar te leunen. Het leek alsof hij het Star graag zo moeilijk mogelijk wilde maken om het huis te bereiken. Eigenlijk zou Star er niet eens van staan kijken als dat zo was.
Toen ze eindelijk de deur van het kleine, stenen huisje bereikte, klopte ze aan. Ze blikte door het bos om hen heen.
“Het lijkt erop dat je ons echt helemaal in the middle of nowhere hebt laten neerstorten,” mompelde ze.
“Eigenlijk was het de bedoeling om alleen jou hier achter te laten.” De woorden kwamen niet zo krachtig uit Blacks mond. Star wachtte ongeduldig tot de deur openging. Als hij hier instortte, zou de ramp helemaal compleet zijn.
“Straks wonen hier dreuzels,” mompelde Black. Hij hing nu tegen Star aan om overeind te blijven.
“Zolang ze mijn persoonlijke ruimte van jouw aanwezigheid kunnen bevrijden, maakt het me helemaal niet uit wie het zijn. Al zijn het trollen.”
Op het moment dat ze het woord trollen uitsprak, ging de deur open.
“Oh hallo,” verbeterde Star zichzelf snel. “Eh… goedemiddag.”
Black grinnikte zwakjes. Zelfs in deze situatie zag hij een reden voor leedvermaak.
Een vrouw met donker haar dat slordig in haar gezicht hing, keek hen verbaasd aan. Er viel een stilte. In gedachten verbaasde Star zich erover dat de ellendige situatie zichzelf nog steeds leek te overtreffen in het opzetten van vervelende scenario’s.
“Mijn vriend is gewond,” bracht Star uiteindelijk uit. “Hij heeft hulp nodig.”
De vrouw keek naar Blacks arm en trok wit weg.
“Wat is er met hem gebeurd?”
Star begon te vrezen dat ze inderdaad met een dreuzel te maken hadden. Ze probeerde haar stok snel weg te stoppen.
“Dat is nergens voor nodig,” waarschuwde de vrouw. “Er leven hier geen dreuzels in de buurt.”
“O.” Star liet haar toverstokarm schaapachtig naast zich hangen. “Hij heeft zichzelf versprokkeld.”
De vrouw wierp opnieuw een blik op Blacks arm.
“Kom toch binnen,” zei ze toen op een toon alsof ze dat al voor de vijfde keer vroeg.
“Mijn vriend?” siste Black in Stars oor terwijl ze naar binnen liepen. “Serieus?”
“Als ik je waarheidsgetrouw ‘het meest arrogante lid van Potters opgeblazen bende griffoendors’ had genoemd, had ze waarschijnlijk niet direct begrepen waar ik het over had.” Star duwde hem ruwer op de bank dan nodig was. “Wil je geholpen worden of niet?” voegde ze eraan toe, terwijl de vrouw door een deur verdween.
Black deed overtuigend alsof ze niet bestond en liet zijn blik door de kamer glijden. Half onderuitgezakt, onder het bloed en met een lijkbleek gezicht had hij nog steeds een koppige arrogantie over zich. Star ging in de stoel tegenover hem zitten. Ze probeerde te bedenken wat de jongen in azkaban had gedaan. Waarom hij alleen met haar was vertrokken. Had hij niet simpelweg kunnen weigeren om te gaan?”
“Wat zit je me nu aan te staren?” gromde Black hees.
“Ik probeer me te bedenken hoe ik je kan laten verdwijnen. Ik ken alleen geen verdwijnspreuk die sterk genoeg is om ook jouw ego in zijn greep te krijgen. Helaas.”

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen