Foto bij H.52.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik draai mij zonder eerst na te denken om naar een klein tafeltje naast de bank, met daarop een lege vaas van mijn moeder.
Mijn handen verkrampen en met en gedempte snik sla ik het van het tafelblad af.
Het valt op de grond en valt in ontelbaar veel scherven uiteen.
Ik laat me op de grond vallen, ga tegen de bank aan zitten, mijn armen om mijn schenen heen geslagen en mijn gezicht in mijn opgetrokken knieën begraven.
Langzaam voel ik alle wilskracht en menselijkheid uit mij stromen, voel ik hoe ik opgeef, maar dan hoor ik voetstappen op de trap en wordt ik aan alles herinnerd waar ik sterk voor moet blijven.
Ik heb Ammay wakker gemaakt.
Een fractie van een seconde voordat ze me kan zien sta ik op, zodat ze me niet gebroken op de grond hoeft te treffen, net als de vaas.
Ze kijkt me bang en tegelijkertijd opgelucht aan.
'Ik', haar kleine handen trillen,' Ik dacht dat mama terug was.'
Ik schud mijn hoofd.
'Nee, Ik botste gewoon tegen de vaas aan. Ga maar terug naar bed. Ik ruim het wel op.' stel ik haar gerust, maar ze schudt haar hoofd.
'Ik ben niet moe meer.' zegt ze.
Ik knik.
'Oké. Dat is ook goed. Ga maar even tekenen of iets anders leuks doen. Zometeen maak ik ontbijt. Eerst even deze rotzooi opruimen.' beloof ik haar.
Ze knikt en terwijl ze aan de tafel gaat zitten probeer ik de kippenvel op mijn armen te negeren.
Ze heeft geen idee hoeveel rotzooi er eigenlijk is, geen idee dat ik het niet op kan ruimen.
De scherven kan ik opruimen, maar ik zal me moeten voorbereiden voor wanneer mijn moeder terugkomt en ze erachter komt dat ik haar vaas vernield heb.
En dat weet ik het opeens, zonder dat ik eigenlijk een rede heb bedenken.
Ik weet gewoon dat ik het moet doen, dat het niet zou kloppen als ik het niet zou doen.
Ik moet Evan spreken.

Na het ontbijt trek ik mijn jas en versleten schoenen aan en vertel ik Ammay dat ik niet lang weg zal zijn.
Daarna loop ik naar Evans huis.
Wanneer ik het in de verte door de bomen zie verschijnen, besef ik dat ik hier absoluut niet over nagedacht heb.
Misschien slaapt hij nog wel: het is nog maar half acht op een zondag!
Wat moet ik doen?
Wat moet ik zeggen?
Ik voel een vreemde pijn van een mengeling van paniek en angst in mijn borst opborrelen, maar ik druk het weg, negeer het.
Ik kan nu niet gewoon weer omdraaien.
Dat slaat nergens op.
Wel naar zijn huis toe gaan slaat ook nergens op, maar toch voelt het beter, alsof ik een magneet ben en ik er naartoe getrokken wordt, ik een vreemde last aan mij voel hangen als ik wegdraai.
Dus ik loop verder.
En voor ik het weet sta ik bij de voordeur.
Weer dat gevoel van twijfel.
Heel lang zweeft mijn gebalde vuist voor de deur.
Ik hoor een gedempt, bonkend geluid, in een ritme dat heel af en toe hapert of een paar seconde stilhoud.
Als ik beter luister kan ik ook gehijg onderscheiden.
Hij is op zijn bokszak aan het slaan, besef ik dan, wanneer ik het geluid koppel aan het interieur van zijn huis.
Ik weet niet waarom ik er een vreemde boosheid bij voel en ik opeens ga terug naar vrijdagavond, Ammay's verjaardag.
In het restaurant zag ik dat zijn knokkels openlagen: ook van die bokszak.
Hij had me beloofd dat hij dat zijn handen niet meer aan zou doen, dat hij voorzichtiger zou doen.
Maar ik had ook beloofd Ammay te beschermen, dus wie ben ik om hem op het breken van zijn belofte te wijzen?
Dan blaft Dexter, alsof hij mij wilt aankondigen, wat waarschijnlijk ook nog echt het geval is.
Het slaan houdt op.
Nu hij toch al weet dat er iemand is, kan ik evengoed iets zeggen.
'Evan?'
Waarom klinkt mijn stem zo?
Waarom trilt het?
Ik hoor hoe hij naar de deur loopt, maar hij opent hem niet.
In een poging niet voor de zoveelste keer die 24 uur te huilen druk ik mijn voorhoofd tegen de deurpost - mijn nagels drukken in het hout.
Ik voel hoe hij ook tegen de deur leunt, maar dan met zijn rug.
Om de een of andere manier hoor of voel ik aan de tegendruk dat hij dat doet.
Ik had geen idee dat ik dat kon, maar op dit moment kan mij dat helemaal niets schelen.
Ik wil gewoon dat hij open doet.
'Alsjeblieft.' mijn stem klinkt heel zachtjes, bijna onhoorbaar, maar de korte hapering in zijn diepe ademhaling verteld mij dat hij mij wel verstaat,' Ik heb je nodig. Het spijt me.'
Ik zak naar beneden tegen de deur, het hout schaaft pijnlijk tegen mijn wang, maar het deert me niet.
Er zit maar een paar centimeter tussen ons in en toch voelt hij zo ver weg.
En ik voel me heel zwak omdat ik begin te snikken en hij het hoort en ik er niet mee op kan houden.
Het blijft zo stil aan zijn kant; zonder beweging, zonder woorden, alleen zijn ademhaling.
'Ik... Evan... het... ik weet niet wat ik moet doen en...' mijn stem sterft weg achter de brok in mijn keel.
Mijn hart verkrampt.
‘Ik kan niet naar school als jij me ook haat.’ snik ik.
Het is niet dat ik mij nog nooit zo ellendig heb gevoelt, maar het voelt anders, omdat het Evan is, omdat hij niet hetzelfde is als alle anderen.
Ik sta op, verbaas mij erover hoe zwak mijn benen voelen, leun nog even tegen de deurpost.
Hard bijt ik op mijn tanden, maar er rollen alsnog tranen over mijn wangen, zonder dat ik het kan stoppen.
Daar heb ik niet genoeg wilskracht voor.
Ik ben te zwak.
Hij haat me.
En dan voel ik mij opeens iets heel doms doen, maar ik kan het niet tegenhouden.
Ik weet dat het fout is, maar het lijkt alsof er twee delen van mijzelf zijn, ver uit elkaar.
De ene weet dat ik moet maken dat ik wegkom en de andere kan dat niet.
'Ik... ik heb iemand vermoord... denk ik... ik weet het niet zeker', de snik die volgt is zo heftig dat de beweging die ik erbij maak pijn doet in mijn borst,' het ging zo snel en hij had een pistool en hij ging op mij schieten. Evan, ik wist... hij ging me doodschieten. En het ging zo snel en... en...'
Ik kan mijn zin niet afmaken, weet niet eens hoe hij eindigt.
En ik geef op.
Hij gaat niet opendoen.
Waarom zou hij?
Hij heeft net gehoord dat ik een moordenaar ben.
Waarschijnlijk gaat hij mij aangeven, heb ik mijn toekomst zojuist verpest, net als die van Ammay.
Ik heb Ammay zojuist de kans op een zo normaal mogelijk leven ontnomen.
Ik doe mijn best niet eens meer om niet te huilen en ik draai mij om.
Net wanneer ik van de veranda af begin te lopen gaat de deur open.
'Gioa?'

Reacties (4)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    1 jaar geleden
  • DeNaamIsGideon

    Oh god.

    Ik zie nu pas dat Elisabeth dat al heeft gezegdxD

    2 jaar geleden
    • TropiaXL

      O god.

      Zo is het nog duidelijker niet?

      2 jaar geleden
  • BethGoes

    Oh god

    2 jaar geleden
  • BethGoes

    Oh god

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen