Foto bij H.55.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik weet niet precies hoe lang we daar zitten, weet niet op welk punt ik precies begin te huilen, maar hij zegt er niets van, houdt me stevig vast.
Hij vraagt niet wat er aan de hand is en daar ben ik blij om, want ik weet het zelf niet eens.
Ik ben bang, voel schuldgevoel, voel een verscheurend verdriet, maar bovenal voel ik me als een nutteloos blok aan Evans been.

Wanneer ik enigzinds gekalmeerd ben - voor hoever dat kan - beginnen we terug naar mijn huis te lopen.
Hij loopt dichter bij me dan normaal, alsof hij klaar staat om mij elk moment vast te pakken als ik dreig te vallen.
Ondanks dat ik het nooit toe zou geven, ben ik hem daar dankbaar voor, want ik voel me slap, duizelig, in de war.
‘Evan?’ vraag ik zo en mijn stem beeft zo hevig dat ik er zelf bang van wordt.
Hij staat meteen stil, gealarmeerd, bijna alsof hij denkt dat ik me niet goed voel of flauw ga vallen.
Bezorgd kijkt hij mij aan - zijn ogen bezorgd, een frons op zijn voorhoofd.
‘Wat is er?’ vraagt hij en even ben ik afgeleid door zijn versnelde ademhaling.
‘Evan, ik...’ stamel ik,’ vanavond moet ik... ik moet om tien uur bij... daar zijn.’
Hij spant zijn kaakspieren aan.
‘Nee. Je gaat daar niet naartoe.’
‘Hij valt wel mee, Evan.’ zeg ik en ik weet niet waarom ik zijn naam noem.
Met donkere, diepbruine ogen kijkt hij mij aan, intenser dan ik aankan.
‘Gioa, daar gaat het niet om’, zegt hij gefrustreerd en haalt een hand door zijn haren. Eventjes draait hij zijn hoofd een stukje weg, verbreekt oogcontact, maar dan kijkt hij mij bijna wanhopig weer aan,’ De laatste keer dat je daar heen ging, ben je bijna vermoord en ik... ik kan niet...’
Ik slik.
‘Wat?’ zeg ik zachtjes.
Heel even klemt hij zijn kaken op elkaar.
‘Ik kan je niet kwijtraken.’
Nu ben ik degene die wegkijkt.
‘Ik kan niet zomaar... Ik moet erheen, Evan.’ smeek ik hem bijna.
‘Prima’, zegt hij, maar ik hoor al dat er iets achter komt, sta mijzelf niet toe opgelucht te zijn,’ Maar dan ga ik met je mee.’
Verschrikt kijk ik hem aan.
‘Nee! Nee. Dat is gevaarlijk.’ stoot ik bijna misselijk uit.
‘Dan bel je hem.’ zegt hij resoluut en ik weet niet waarom ik naar hem luister.
Zachtjes knik ik en haal mijjn mobiel erbij.
Even graaf ik diep in mijn geheugen.
Ik verbaas mij erover dat ik het nummer nog onthouden heb van toen ik er die avond eindeloos naar heb liggen staren.
In een poging het trillen van mijn handen te stoppen druk ik de telefoon tegen mijn oor, net niet hard genoeg om een knop in te drukken.
‘Hoi?’ klinkt James stem aan de andere kant van de lijn.
‘O, Hey. Met... eh... met Gioa.’ zeg ik.
Even is ik stil.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt hij, zijn stem meer dan serieus.
Ik kijk kort naar Evan.
Het is niet dat ik hem wantrouw, maar ik weet niet hoeveel ik precies wil zeggen wanneer hij het kan horen.
Zijn ogen die in mijn lijf prikken maken mij zenuwachtig.
In plaats van iets te zeggen maak ik een vragend geluidje en hoop dat hij snapt dat dat betekent dat ik niet begrijp wat hij precies bedoelt.
‘Ik hoor het aan je stem. Is er iets aan de hand?’ vraagt hij.
Voordat ik kan antwoorden praat hij verder.
‘Ik ga je een aantal ja/nee vragen stellen, oké?’ zegt hij.
‘Oké.’
Dan ga ik verder.
‘Als je antwoord “ja” is, dan zeg je “ik begrijp het” en als het “nee” is, dan zeg je “oké, goed”. Begrepen?’
‘Ik begrijp het.’
‘Is er iemand bij je?’
‘Ik begrijp het.’ Jep.
Ik weet niet waarom ik makkelijker tegen Evan lieg dan tegen James Grint, maar het is wel zo.
Het voelt alsof ik niet durf te liegen.
‘Is diegene gevaarlijk?’
‘Oké, goed.’ Nee, dus.
Even is hij stil.
‘Wil je niet dat diegene precies hoort waar we het over hebben?’
‘Ik begrijp het.’ Bingo.
‘Kun je vertellen waarom je me belt?’
Ik slik even.
Waarom probeer ik het voor Evan te verbergen?
Hij is niet gevaarlijk.
‘Ik... ik kan niet komen vanavond. Het... ik kan het niet halen.’ stamel ik.
‘Kun je vertellen waarom?’ vraagt hij.
‘Oké, goed.’ Nee.
Kort kijk ik naar Evan.
‘Oké. Ik... oké. Dankjewel voor het melden... denk ik.’ zegt hij, bijna net zo ongemakkelijk als ik me voel.
‘Ik-ik moet gaan.’
En ik hang op.
Bijna knijp ik mijn telefoon fijn en ik sluit mijn ogen. Opeens kan ik weer redelijk goed ademen - of ik ieder geval beter.
‘En...?’ vraagt Evan voorzichtig.
‘Gelukt.’ zeg ik ademloos.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen