"Waarom staat er een kooi in je woonkamer?" De geluiden waren te hard voor Remus' oren. Ze trokken hem uit de betrekkelijke rust die bewusteloosheid hem gebracht had en maakten hem erop attent dat zijn lichaam gemarteld aanvoelde. Alles deed hem zeer, maar zijn handen, rug en enkel vooral.
      "Zit daar... een mens in? Merlin, Sirius, open de kooi!" De stemmen waren te hard. Het deed hem pijn. Het moest ophouden. Remus kromp ineen en deed zijn handen voor zijn oren. Als hij het niet hoorde, was het er niet.
      Het werkte niet. De stemmen werden alleen maar luider en nu ook nog vergezeld door het geluid van metaal op metaal. Toen hij kort opkeek, zag hij een van de mannen, die met bril, verwoed aan het slot trekken. Zijn blik viel op Remus, en Remus kromp meteen weer ineen. Zijn blik hield hij op de grond gericht. Hij moest verdwijnen in de omgeving. Als hij maar niet keek en niet luisterde, dan zouden ze hem niet zien. Dan zouden ze hem geen pijn doen.
      Een nieuw geluid voegde zich bij de anderen. Het duurde even voor Remus het als gelach herkende. Het klonk niet zoals een lach hoorde te doen. Het klonk misvormd, wreed. "Dat is geen mens, Jamesie. Dat... Dat is een weerwolf. Een beest."
      Het was even stil. Toen klonk het geluid van een sleutel die werd omgedraaid. Remus keek op, net op tijd om te zien hoe de man die bij de lach hoorde, 'Sirius' volgens de ander, naar binnen stapte. "Doe niet zo gek! Kom terug!" klonk het paniekerig op de achtergrond.
      De man, Sirius, lachte weer. "Eerst wil je dat ik de kooi open en nu niet? Je weet ook niet wat je wil." De grijze ogen van Sirius boorden zich diep in Remus. Het voelde niet goed. De man was niet goed. Hij betekende gevaar. Hoe Remus dat wist, kon hij niet vertellen. Hij wist alleen dat het zo was. Hij moest weg van Sirius. Weg, weg, weg!
      Onbewust had hij zijn tanden ontbloot en een lage grom klonk uit zijn keel. Zijn ogen zaten vastgepind op de man die zijn ruimte binnengedrongen was. Zijn waarschuwing werd niet ontvangen door Sirius. Stap voor stap bleef hij dichterbij komen. Het was niet goed. Mensen hoorden dat niet te doen. Hij was het roofdier hier.
      "Sirus, ik snap het. Je hebt je punt gemaakt. Je hoeft dit niet te doen, maat. Kom er gewoon uit, dan bestellen we een pizza en kijken we gewoon die film zoals de bedoeling was. Je hoeft je niet verder te bewijzen." Waar er eerst paniek had geklonken, klonk de man met de bril nu vooral vermoeid, alsof hij de buien van Sirius zat was. Tegelijk leek hij Sirius naar hem toe te willen lokken, iets waar hij ontzettend in faalde. In plaats van de kooi te verlaten stapte hij namelijk nog dichterbij.
      "Hij doet me niks, James," zei hij. Er werd een hand langzaam naar Remus toegebracht. Remus dook zo mogelijk nog dieper de hoek in, maar verder kon hij niet uitwijken zonder de zilveren kooi aan te raken. Opnieuw ontblootte hij zijn tanden. De hand was een gevaar. De hand zou pijn betekenen. "Weet je waarom?" De man lachte weer zijn humorloze lach. "Hij is van mij, James. Van mij!"
      Remus sprong op hem af.

Reacties (1)

  • HopeMikaelson

    Wauw. Sirius is echt heel anders dan ik me had voorgesteld O.0

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here