Black sloeg zijn ogen op toen de vrouw weer binnenkwam. Ze droeg een pot zalf die er niet erg smakelijk uitzag. Star deed haar best om haar meest onschuldige gezicht te bewaren bij het zien van Blacks weerzien.
“Horen jullie niet nog op Zweinstein te zitten?” vroeg de vrouw, terwijl ze de mouw van Blacks gewaad oprolde. “Nou?” vroeg ze toen niemand reageerde.
“Technisch gezien horen we in Azkaban te zijn,” antwoordde Star waarheidsgetrouw.
Oké, misschien niet haar beste zet van vandaag.
De vrouw bevroor in haar beweging. Ze keek op naar Black alsof ze bevestiging zocht.
“We komen van Zweinstein,” antwoordde Black verveeld. Nu hij zat en de weerzinwekkende zalf op zijn arm had, leek hij plotseling een stuk meer in leven. “We moesten Azkaban bezoeken.”
“Ik kan me niet voorstellen dat dat tegenwoordig bij het vakkenaanbod hoort,” antwoordde ze bestraffend. “Ik zal jullie schoolhoofd moeten inlichten.”
Daar was Star groot voorstander van.
“Vraag of hij een viavia stuurt, of zo,” raadde ze aan. “Ik wil niet nog een keer met hem verschijnselen.”
“Verschijnselen,” zuchtte de vrouw in zichzelf. Ze leek er nog steeds niet over uit te kunnen dat er zo’n stelletje ongeregeld in haar woonkamer zat. “Azkaban…” Ze liep weer weg.
“Wees maar blij dat ik kon verschijnselen,” gromde Black. “Ik heb je wel mooi gered.”
“Ja, bedankt.”
Er viel een stilte waarin Star niet zeker wist wie van hen er verbaasder was over deze woorden.
“Ga je me daar nou de rest van mijn leven mee achtervolgen?” voegde ze er uiteindelijk aan toe.
Black trok een walgend gezicht.
“Denk je dat ik zin heb om jou de rest van je leven te achtervolgen?”
“Waar jij wel of geen zin in hebt, Black, kan me echt net zo weinig schelen als -.”
“Ik heb een bericht gestuurd naar Zweinstein,” de vrouw kwam weer binnen, “het zal niet lang duren voor we antwoord krijgen.”
“Gelukkig maar,” bromde Black.
“Hij krijgt weer praatjes,” voegde Star eraan toe. “Die zalf moet zijn werk wel gedaan hebben.” Ze wist niet goed of ze de vrouw wilde bedanken of haar wilde vervloeken. Met overeen geslagen armen keek ze naar Black, die haar op zijn beurt met een uiterst kwade blik aankeek.
Of misschien was dat gewoon zijn gezicht.’
“Probeer je me nu dood te staren?” vroeg Star.
Black stootte een blaffende lach uit, die alles behalve vreugde liet horen.
“Als dat eens zou kunnen.”
Uit haar ooghoeken zag Star dat de vrouw hen om de beurt zenuwachtig en afkeurend aankeek. Ze kon waarschijnlijk niet wachten tot er antwoord van Zweinstein arriveerde.
“Hebben jullie ruzie?” doorbrak ze de volgende stilte.
“Nee, we zijn beste vrienden.”
Star besefte dat ze wel erg onbeleefd was en draaide zich na haar woorden naar de vrouw om.
“Hij is een griffoendor, ik een zwadderaar,” verklaarde ze. “Of, hij is een arrogante uitslover en ik ben gewoon mezelf.”
Black snoof, maar vond zichzelf blijkbaar te goed om zich in deze discussie te mengen.
De vrouw knikte, maar keek niet alsof ze het begreep.
“Een beetje rivaliteit is er altijd geweest,” zei ze.
Dit keer stootte Black een harde lach uit.
“Understatement van het jaar,” concludeerde hij luid. “Ik kan iedere zwadderaar wel -.”
“Doof schreeuwen?” suggereerde Star. “Want dat is namelijk wat je zojuist hebt gedaan.”
“Wij van huffelpuf probeerden nooit te oordelen,” ging de vrouw verder. “Daar ligt echte kracht in.”
Black keek alsof hij hier net zo min iets van geloofde als Star. Hun blikken troffen elkaar en het was alsof ze zwijgend een afspraak maakten hier maar niet op in te gaan.
Een afspraak met Black? Star vroeg zich af wat haar bezielde.
“Misschien is het nu het moment om rivaliteit aan de kant te zetten,” ging de vrouw verder. “De wereld is niet verdeeld in zwadderaars en griffoendors.”
“Was het maar waar,” verzuchtte Star, “dan hoefde ik over twee jaar nooit meer naar hem te kijken.”

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here