Foto bij H.57.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Hey, Ammay. Zat je te tekenen?’
Ze knikt, glundert en pakt Evans hand vast.
Met kinderlijke, enthousiaste hobbelpasjes begeleid ze hem naar de tafel, opgewonden haar kunstwerken tentoonstellend.
Met een kleine glimlach kijk ik maar ze, loop ernaar toe.
Over zijn schouder kijk ik mee naar het papier.
Het is groen, met een kronkelende lijn door get midden, alsof het een rivier is, maar alleen is het met geel aan de zijkanten en wordt het steeds blauwer en donkerder naar het midden toe.
‘Wat is dat?’ vraagt Evan en trekt een stoel maar zich toe.
Ammay gaat ook op een stoel zitten, op haar knieën en over haar tekening heen gebogen.
‘Dat is de enchanted rivier in de Filipijnen.’ zegt ze trots.
Daar had ze het ook over op haar verjaardag.
Over hoe ze fotograaf wilt worden en de Enchanted river wilt fotograferen.
Kan ik er ooit voor zorgen dat die droom uitkomst?
Ze begint ijverig te vertellen over dat het heel diep is en dat er grotten zijn en nog veel meer.
Ik luister maar half, alsof het voelt dat dat moet, ook al heeft ze het helemaal niet tegen mij, lijkt ze me te zijn vergeten.
Misschien is dat maar beter ook, want wie wilt zich een moordenaar herinneren?

Die avond gaat Ammay vroeg naar bed, want morgen begint school weer.
Morgen begint school weer en het gaat pijn doen.
Morgen begint school weer en ze gaan me slaan.
Evan blijft bij mij thuis totdat mijn moeder terug is.
Mijn grootste angst is dat ze terugkomt wanneer Evan hier nog is.
Mijn grootste angst is dat ze hem hier ziet.
Want dan vermoord ze eerst hem, daarna Ammay en als ik gezien heb wat mijn loslippigheid veroorzaakt heeft, ben ik aan de beurt.
Midden in de nacht wordt ik ervan wakker.
De gedachte op mijn tong.
Dood.
Ik kijk naar de klok.
Het is half vier ‘s nachts.
Het zou moeten, maar ik kan nu niet slapen.
Ik kan niet slapen als ik niet zeker weet of Ammay en Evan veilig zijn.
Ik ga bij het raam staan, kijk naar buiten, het donker in, alsof mijn moeder daar elk moment kan zijn.
Ik weet dat ik iets moet doen, dat dit niet meer zo door mag gaan.
Het zal niet lang duren totdat Ammay het niet meer aan kan, totdat ík het niet meer aankan.
En Evan gaat iets doen.
Ik weet niet wat, maar hij gaat het niet geheimhouden.
Hoe vaak ik ook zeg dat het gevaarlijk is, hij gaat het niet laten rusten.
Hij zorgt ervoor dat ik niet meer bang hoef te zijn.
En ik weet niet precies hoe ik daar mee om moet gaan.
Jarenlang heeft angst mij in leven gehouden.
Ik zou niet weten hoe het anders moet.
‘Gioa?’ zegt Evan dan en ik onderdruk een kreet.
In een flits draai ik om en voor een moment ben ik in een reflex van plan hem aan te vallen, maar dan herken ik hem en kalmeer.
‘Ik dacht dat jij sliep.’ sis ik, niet beschuldigend, maar geschrokken.
Hij antwoord niet, loopt naar me toe.
Hij pakt voorzichtig mijn koude handen vast, kijkt me aan.
‘Gaat het?’
Ik kijk weg en schud mijn hoofd.
‘Ik zorg dat je niets overkomt. Ik kan er in ieder geval op school voor zorgen dat niemand ook maar één vinger op je legt.’
Koortsachtig kijk ik hem aan, mijn ogen glinsteren van de tranen.
‘En Ammay dan? Kan je ervoor zorgen dat niemand haar pijn doet? Dat ze niet meer ‘s nachts wakker hoeft te liggen in de angst dat mijn moeder haar weer in elkaar zou slaan? Kan je daarvoor zorgen?’ ik snauw het bijna, ook al ben ik niet boos op hem, ook al is hij de vijand niet.
‘Nee. Dat kan ik niet.’ zegt hij zacht.
Boos veeg ik een traan weg.
‘Sorry.’ fluister ik.
‘Het maakt niet uit.’ zegt hij en ik haat het dat hij niet liegt, dat hij het mij echt vergeeft en altijd zal vergeven, wat ik ook doe.
Ik haat het dat hij mij vergeeft wat ik hem misschien niet meteen zou vergeven.
‘Hoe... hoe doe je dat?’ vraag ik dan.
Hij fronst.
‘Hoe doe ik wat?’
Gefrustreerd haal ik een hand door mijn haar.
‘Zo... zo áárdig zijn? Hoe kan je zo veel om mij geven? Hoe... hoe kan je dat nadat je erachter bent gekomen dat ik een moordenaar ben? Het klopt niett? Wist je dat? Het is bijna eng, gewoon.’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Ik... ik weet het niet. Er is gewoon iets aan jou. Er is iets aan jou dat me je laat vertrouwen, dat me verteld dat jij... dat je dat vertrouwen verdient.’
Ik kijk weg, want het probleem is, dat als ik kijk naar wat ik allemaal wel niet voor Ammays veiligheid zou doen, ik zelf niet eens weet tot in hoeverre ik te vertrouwen ben.

Reacties (5)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen