De nacht was het ergste, dacht Remus. Het was donker in de kamer en overal klonken onbekende geluiden. Er klonk geschuifel en zelfs al hadden alle mensen op de muren hun ogen gesloten, toch had Remus het gevoel dat hij bekeken werd. De kooi was te groot voor hem, te open. Er was geen enkele mogelijkheid om zich te verschuilen voor de schaduwen om hem heen.
      Hij miste zijn oude kooi. Die was klein geweest en had de mogelijkheid gehad om zich in een hoekje terug te trekken. Er waren muren geweest die hem beschermd hadden. Hier was niks, behalve de zilveren tralies die vervaarlijk glinsterden in het weinige maanlicht dat er door het raam naar binnen kwam. De tralies die hem op zijn plek hielden, die zijn vijanden waren.
      Zijn arm brandde waar Sirius hem tegen de tralies had geduwd. Zelfs in het slechte licht was de brandwond zichtbaar. Haast gehypnotiseerd streek Remus met zijn vinger over de gemartelde huid, maar toen een stekende pijn door zijn arm schoot, trok hij met een ruk zijn hand weer in. De wonden op zijn handpalmen trokken flink aan zijn huid bij de plotselinge beweging. Zijn rug bonsde dof.
      Remus staarde naar het eten aan de andere kant van de kooi. Kort na het vertrek van James was ook Sirius verdwenen, om even later met een kom met eten terug te komen. Remus had het niet aangeraakt, al protesteerde zijn maag daar luid tegen. Eten kon alleen op plekken waar het veilig was. Dat was hier niet. De geuren roken hem onbekend en verstikten hem. Te sterk! Het moest weg. Het was niet goed!
      Met een klap vloog de kom door de kooi heen, om tegen de tralies tot stilstand te komen. De inhoud, een rode vloeistof, vloog alle kanten op en doordrenkte zijn kleding. De geur werd er alleen maar sterker van. Remus greep naar zijn hoofd en liet zich op zijn knieën vallen. Hij wilde naar huis.

      De kleine jongen zat op zijn knieën. Zijn schouders schokten en tranen stroomden over zijn wangen. Zijn omgeving was wazig geworden. Ergens in de verte hoorde hij geschreeuw, maar hij leek het niet te registreren. Hij kon alleen maar naar zijn handen staren.
      Langzaam tilde hij zijn handen op. Ze zaten onder de rode vegen. Het bloed van zijn ouders.


      Remus staarde naar de rode spetters op zijn handen. Hij kon nog steeds voelen hoe het warme bloed eraan gekleefd had, ondanks dat het zestien jaar geleden was. Hij had geboend en geboend, maar dat was een gevoel dat hij niet kon vergeten. Tot zijn dood zou hij eraan herinnerd worden. Daar zorgden de nachtmerries iedere nacht wel voor.
      Hij ging liggen op de plek waar hij zat en sloeg zijn armen om zijn knieën heen om zich op te rollen tot een balletje. De kreet die op zijn lippen lag, hield hij in, al kostte het al zijn zelfbeheersing. Zijn ogen kon hij niet sluiten. Hij kon niet slapen op deze vervloekte plek, waar de monsters klaar leken te staan om hem te grijpen als hij niet op zou letten. Hij zou Sirius niet het genoegen geven dat hij zou gaan slapen. Of eten. Of breken. Hij wilde niets van wat Sirius van hem verlangde of hem gaf. Hij wilde niet van Sirius afhankelijk zijn.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here